Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1819

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11-5021 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Betrokkene heeft de “en/of”-rekening in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet gemeld aan appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5021 WWB, 12/1388 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juli 2011, 11/5624 en 11/5625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L. Plokker, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader besluit van 16 augustus 2011 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is op 23 december 1999 gescheiden van haar (ex-) echtgenoot,

[R.] (R). Zij ontvangt sinds 8 augustus 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Uit meldingen van het inlichtingenbureau is gebleken dat betrokkene een bankrekening met nummer 4387328 op haar naam had staan, die zij niet aan appellant had gemeld.

1.3.

Bij besluit van 23 december 2010 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 8 augustus 2005 ingetrokken. Bij besluit van 27 december 2010 heeft appellant de over de periode van 8 augustus 2005 tot en met 31 oktober 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 40.321,86 van betrokkene teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 17 juni 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen de besluiten van 23 december 2010 en 27 december 2010 ongegrond verklaard. Hieraan is, voor zover het gaat om het besluit tot intrekking, ten grondslag gelegd dat betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de onder 1.2 genoemde bankrekening, dat deze bankrekening een “en/of”-rekening betreft en dat hierop salarisbetalingen worden gedaan die de voor betrokkene geldende bijstandsnorm ruimschoots overschrijden, zodat het recht op bijstand over de periode van 8 augustus 2005 tot en met 30 november 2010 moet worden vastgesteld op nihil. Nu afschriften van de betreffende bankrekening over de periode van 17 november 2010 tot en met 6 december 2010 ontbreken, kan het recht op bijstand over de periode van 1 december 2010 tot en met 23 december 2010 niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet feitelijk kon beschikken over de saldi op de “en/of”-rekening en dat het aan appellant is om het tegendeel te bewijzen. Appellant zal in het kader van een nieuw te nemen beslissing op bezwaar aan de hand van onderzoek aannemelijk moeten maken dat betrokkene heeft kunnen beschikken over de tegoeden op de “en/of”-rekening.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is

- samengevat - aangevoerd dat de voorzieningenrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat appellant is gehouden aannemelijk te maken dat betrokkene daadwerkelijk van de gezamenlijke rekening gebruik heeft gemaakt. Naar vaste rechtspraak dient betrokkene aannemelijk te maken dat zij niet over het tegoed op de rekening heeft kunnen beschikken. Naar de mening van appellant is zij daarin niet geslaagd.

4.

Appellant heeft ter uitvoering va n de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar van 16 augustus 2011 genomen. Appellant heeft de intrekking van de bijstand beperkt tot de periode van 8 augustus 2011 tot 7 december 2010 en de terugvordering ongewijzigd gehandhaafd. De Raad zal het nadere besluit van 16 augustus 2011 met overeenkomstige toepassing van artikel 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb bij de beoordeling betrekken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

De aangevallen uitspraak

5.1.

Vooropgesteld wordt dat een besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.2.

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde in geding de onder 1.2 bedoelde bankrekening, zijnde een “en/of”-rekening, mede op haar naam had staan en dat hierop salarisbetalingen werden gedaan die de voor haar geldende bijstandsnorm ruimschoots overschreden.

5.3.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

5.4.

Betrokkene is hierin niet geslaagd. Zij heeft verklaard dat alleen R beschikte over een pinpas van de “en/of”-rekening en dat zij ook nimmer transacties op haar naam op die rekening heeft verricht, zodat R feitelijk als enige over de salarisbetalingen op de rekening beschikte en ook kon beschikken. Weliswaar is enerzijds niet in geschil dat ten tijde in geding slechts met één pinpas geld is opgenomen van de rekening en is evenmin in geschil dat betrokkene op de rekening geen (zichtbare) transacties heeft verricht, maar anderzijds is daarmee niet gezegd dat betrokkene als mede-rekeninghouder niet feitelijk kon beschikken over de tegoeden op deze rekening en is niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde in geding geen gebruik heeft gemaakt van de pinpas. Betrokkene heeft haar standpunt op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Bovendien blijkt uit de verklaring van R van 24 oktober 2011 dat ook anderen ten tijde in geding de pinpas hebben gebruikt.

5.5.

Onder deze omstandigheden ligt het niet op de weg van appellant nadere onderzoeksactiviteiten te doen ter verdere onderbouwing van het standpunt dat betrokkene ten tijde in geding over de tegoeden op de “en/of”-rekening heeft kunnen beschikken. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen.

5.6.

Uit wat onder 5.3 en 5.4 is overwogen volgt dat de onder 5.2 bedoelde salarisbetalingen tot de middelen van betrokkene moeten worden gerekend. Deze middelen zijn aan te merken als inkomsten. Nu deze inkomsten de voor betrokkene geldende bijstandsnorm te boven gingen, heeft appellant zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van betrokkene over de periode van 8 augustus 2005 tot en met 30 november 2010 op nihil moest worden gesteld. Betrokkene heeft in beroep alsnog de onder 1.4 bedoelde bankafschriften overgelegd. Gelet hierop is naar vaste rechtspraak (CRvB 22 april 2008,

LJN BD0559) geen plaats meer voor het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat het recht op bijstand over de periode van 1 december 2010 tot en met 6 december 2010 niet kan worden vastgesteld, maar moet het recht op bijstand over deze periode eveneens op nihil worden gesteld. Het bestreden besluit komt in zoverre, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, voor vernietiging in aanmerking. Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft appellant de intrekking beperkt tot de periode van 8 augustus 2005 tot 7 december 2010. Hieruit moet worden afgeleid dat appellant zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat het recht op bijstand over de periode van 7 december 2010 tot en met 23 december 2010 niet is vast te stellen, niet langer handhaaft. Het bestreden besluit komt in zoverre eveneens voor vernietiging in aanmerking.

5.7.

Nu betrokkene de “en/of”-rekening in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft gemeld aan appellant, was appellant bevoegd om de bijstand over de periode van 8 augustus 2005 tot en met 6 december 2010 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en tevens om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de aan betrokkene over de periode van 8 augustus 2005 tot en met 31 oktober 2010 verleende bijstand van betrokkene terug te vorderen. Betrokkene heeft gesteld dat haar geen verwijt valt te maken, omdat zij er niet van op de hoogte was dat de tenaamstelling van de “en/of”-rekening sinds haar scheiding van R in 1999 niet was gewijzigd. Uit de stukken blijkt echter dat haar van de zijde van appellant al in 2005 meerdere malen is voorgehouden dat zij de tenaamstelling van haar “en/of”-rekeningen moest wijzigen en dat zij dat van één bij appellant bekende

“en/of”-rekening ook heeft gedaan, zodat niet aannemelijk is dat zij niet op de hoogte was van de tenaamstelling van de “en/of”-rekening waarvan zij bij appellant geen melding heeft gemaakt. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering had moeten afzien.

5.8.

Uit hetgeen onder 5.6 en 5.7 is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december 2010 tot en met

23 december 2010, moet worden vernietigd. Tevens volgt hieruit dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december 2010 tot en met 6 december 2010, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

Het besluit van 16 augustus 2011

5.9.

Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.8 is overwogen, vloeit voort dat de grondslag aan het besluit van 16 augustus 2011 is komen te ontvallen. Er is daarom aanleiding dat besluit te vernietigen.

6.

Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 472,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (verweerschrift). Geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling van appellant in beroep. Hierbij is in aanmerking genomen dat betrokkene de onder 5.6 bedoelde bankafschriften eerst in beroep heeft overgelegd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2011 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van

1 december 2010 tot en met 23 december 2010;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 17 juni 2011, voor

zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december

2010 tot en met 6 december 2010, in stand blijven;
- vernietigt het besluit van 16 augustus 2011;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 472,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.R. Schuurman

HD