Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
11-5409 Wet Wajong-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering Wajong-uitkering. Stappenplan laattijdige aanvragen. In de situatie van appellante is geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Weliswaar voorziet het stappenplan er in dat de soort baan en de wijze van functioneren bij de arbeidskundige beoordeling wordt betrokken maar dit laat onverlet dat het niet aan de arbeidsdeskundige is om te beoordelen of een belanghebbende gelet op de medische beperkingen, in staat was dit werk te doen. Zo dient ook de stelling van appellante dat zij in feite boven haar macht heeft gewerkt en slechts door het opnemen van verlofdagen het werk heeft kunnen volhouden, door een verzekeringsgeneeskundige te worden beoordeeld. Besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op om de gebreken in het besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:3
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:5
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/287
USZ 2013/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5409 Wet Wajong-T

Datum uitspraak: 20 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

10 augustus 2011, 11/2325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1982, heeft op 14 juni 2010 een (laattijdige) aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante in staat is met werk meer dan 75% van het minimumloon te verdienen en haar aanvraag afgewezen.

1.2. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit, heeft een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv informatie bij (een aantal) van de voormalige werkgevers van appellante opgevraagd over het arbeidsfunctioneren van appellante en geconcludeerd dat zij in staat is om 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Deze conclusie is gebaseerd op de informatie over het functioneren van appellante bij[naam werkgever], waar zij van 9 februari 2009 tot 8 februari 2010 met een jaarcontract heeft gewerkt als assistent zorgadviseur. Volgens informatie van de werkgever functioneerde appellante bovengemiddeld maar is het jaarcontract niet verlengd omdat ze vanaf 11 januari 2010 ziek was en deze ziekte langdurig leek te zijn. In de periode daarvoor had appellante bij deze werkgever drie maal kort verzuimd.

1.3. Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juni 2010 ongegrond verklaard omdat zij vanaf haar zeventiende levensjaar gedurende ten minste 52 weken in staat was om meer dat 75% van haar maatmaninkomen te verdienen. Dit besluit is gebaseerd op de bepalingen van de Wet Wajong.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 2011 ongegrond verklaard en daartoe allereerst overwogen dat het Uwv de aanspraken van appellante terecht heeft beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv heeft kunnen volstaan met een arbeidskundig onderzoek. Er bestaat eerst dan aanleiding tot medisch onderzoek indien de uitkomsten van het arbeidskundig onderzoek niet uitwijzen dat de aanvrager 75% van het minimumloon heeft verdiend. De rechtbank volgt niet de stelling van appellante dat zij weliswaar heeft gewerkt maar dat dit boven haar macht was.

3.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat, omdat haar arbeidsongeschiktheid dateert van voor de inwerkingtreding van de Wet Wajong, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de voorloper van de Wet Wajong, van toepassing is. Voorts heeft appellante betoogd dat het Uwv een medisch onderzoek had dienen te verrichten naar de vraag of zij de door haar verrichte werkzaamheden waarop het Uwv het standpunt heeft gebaseerd dat zij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen, gelet op haar medische beperkingen, wel kon verrichten. Appellante heeft vanaf haar geboorte ernstige longklachten en heeft tegen beter weten in getracht aan de arbeidsmarkt deel te nemen. Ook haar werk bij H+B Solutions is geëindigd omdat ze doorlopend arbeidsongeschikt was. Ter zitting van de Raad heeft appellante nog opgemerkt dat haar ziekteverzuim geen reële weergave is van het aantal dagen dat ze heeft moeten verzuimen vanwege ziekte omdat zij, uit angst dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, haar verlofdagen heeft ingezet om bij ziekte niet te hoeven werken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft haar aanvraag om een arbeids- en inkomensvoorziening op grond van de Wet Wajong ingediend op 14 juni 2010. In hoofdstuk 2 van de Wet Wajong is het recht op werk- en arbeidsondersteuning geregeld. Hoofdstuk 3 van de Wet Wajong bevat de bepalingen met betrekking tot het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals tot

1 januari 2010 neergelegd in de Wajong. In artikel 3:6 van de Wet Wajong is neergelegd dat de jonggehandicapte geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong indien hij zijn aanvraag voor het eerst heeft ingediend op of na 1 januari 2010. Dit betekent dat, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, aanvragen zoals die van appellante die zijn ingediend op of na 1 januari 2010 beoordeeld worden naar hoofdstuk 2 van de Wet Wajong.

4.2.

Voor de beoordeling van laattijdige Wajongaanvragen heeft het Uwv een ‘stapsgewijze beoordeling van laattijdige aanvragen’ (stappenplan) ontwikkeld. Volgens dit stappenplan vindt allereerst een arbeidskundige beoordeling op basis van het arbeidsverleden plaats teneinde te bepalen of de belanghebbende voldoet aan het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong. In deze bepaling is neergelegd dat de jonggehandicapte recht heeft op arbeidsondersteuning indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Indien uit het arbeidskundige onderzoek blijkt dat belanghebbende een substantiële periode (als vuistregel wordt een periode van zes maanden genomen) een inkomen van meer dan 75% van het minimumloon heeft verdiend, dan wordt de aanvraag voor arbeidsondersteuning afgewezen. De arbeidsdeskundige toetst daarbij of sprake is geweest van, kort gezegd, reële loonvormende arbeid waarvoor de belanghebbende ook een reële prestatie moet hebben geleverd. Zo moet het gaan om werk dat algemeen voorkomt op de reguliere arbeidsmarkt, moet de belanghebbende normaal gefunctioneerd hebben en geen overmatig ziekteverzuim hebben gehad. Als de arbeidsdeskundige de conclusie trekt dat sprake is geweest van een substantiële periode waarover de belanghebbende meer dan 75% van zijn maatmaninkomen heeft verdiend, voldoet hij niet aan het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong en wordt de aanvraag voor arbeidsondersteuning afgewezen. Een verder onderzoek door de verzekeringsarts is dan niet meer noodzakelijk omdat, zo wordt het in stappenplan omschreven, de vraag welke beperkingen belanghebbende precies had niet ter zake doet omdat zij blijkbaar geen belemmering vormden om op een normale manier in het werk te functioneren. Evenmin is het dan noodzakelijk om onderzoek te doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid tussen het zeventiende en achttiende levensjaar of als student, noch naar die op het moment dat de arbeidsondersteuning mogelijk kan ingaan (op of na datum aanvraag). Artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong staat dan immers reeds aan toekenning in de weg.

4.3.

In de situatie van appellante is geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Weliswaar wordt in het (primaire) besluit van 24 juni 2010 vermeld “volgens onze arts en arbeidsdeskundige kunt u werken”, maar een verzekeringsgeneeskundig rapport ontbreekt. Op het Intakeformulier Arbeids- en Inkomensondersteuning staat een stempel met daarop de naam van een verzekeringsarts van het Uwv, maar hieruit blijkt in het geheel niet dat deze verzekeringsarts de aanvraag van appellante inhoudelijk heeft gezien of beoordeeld. Het bestreden besluit is dus conform het in 4.1 geschetste stappenplan louter gebaseerd op een arbeidskundig onderzoek, waarbij de arbeidsdeskundige een onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop appellante in de arbeid heeft gefunctioneerd. Hiermee ligt de rechtsvraag voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv hiermee heeft kunnen volstaan.

4.4.

Artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong bepaalt dat jonggehandicapte is degene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen. In artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong is, ter nadere invulling van het begrip jonggehandicapte, bepaald dat de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

4.5.

Uit de formulering in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong dat een belanghebbende in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, kan niet anders dan worden afgeleid dat dit ziet op een voortduren van de situatie dat een belanghebbende niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Dit wordt niet anders als, zoals ter zitting van de Raad door Uwv nog is opgemerkt en wat daar overigens van zij, het woord ‘gebleven’ in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder, van de Wet Wajong, gelezen zou dienen te worden als ‘gebleken’. Uit het samenstel van artikel 2:3, eerste lid, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, artikel 2:5, eerste lid, en artikel 2:15 eerste lid, aanhef en onder a, vloeit voort dat de beoordeling van de vraag of een jonggehandicapte in staat is gebleven 75% van het maatmaninkomen te verdienen, dient te zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het is dan vervolgens aan de arbeidskundige ter beoordeling of de door belanghebbende feitelijk verrichte arbeid voldoet aan de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid.

4.6.

Weliswaar voorziet het stappenplan er in dat de soort baan en de wijze van functioneren bij de arbeidskundige beoordeling wordt betrokken maar dit laat onverlet dat het niet aan de arbeidsdeskundige is om te beoordelen of een belanghebbende gelet op de medische beperkingen, in staat was dit werk te doen. Zo dient ook de stelling van appellante dat zij in feite boven haar macht heeft gewerkt en slechts door het opnemen van verlofdagen het werk heeft kunnen volhouden, door een verzekeringsgeneeskundige te worden beoordeeld.

5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in het besluit van 4 februari 2011 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 4 februari 2011 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en K. Wentholt en

G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.R. Baas

TM