Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
09-5274 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bij nader besluit III is, gelet op arbeidskundig onderzoek, de resterende verdiencapaciteit nader vastgesteld op € 789,31 per maand. De door de Raad benoemde deskundige, de psychiater/neuroloog Kemperman, is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid, voor zover die belastbaarheid betrekking heeft op psychiatrische aspecten, op juiste wijze is verwoord in de FML die mede ten grondslag ligt aan de theoretische schatting waarop bestreden besluit III berust. Geen grond om de geduide functies niet passend te achten. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat het bestreden besluit III niet volledig juist is. Het Uwv heeft evenwel verzuimd om een gewijzigde beslissing op bezwaar te nemen, althans om daarvan aan de Raad mededeling te doen. De Raad draagt het Uwv op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:47
Grondwet
Grondwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/363 met annotatie van T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik
ABkort 2013/358
JB 2013/229
USZ 2013/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5274 WIA-T, 11/1991 WIA-T, 11/4601 WIA-T

Datum uitspraak: 20 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

17 september 2009, 08/4765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Op 31 maart 2011 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Op 3 augustus 2011 heeft het Uwv opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Op 2 maart 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is appellante verschenen bij mr. M.C. Frissart-Kallenbach. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

Na de zitting van 2 maart 2012 is het onderzoek heropend.

Vervolgens heeft de Raad het Uwv bij brief van 22 maart 2012 vragen gesteld over de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellante en over de berekening van haar inkomen over februari 2008. In verband met het voornemen om in de onderhavige zaak een deskundige te benoemen, is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden. Namens appellante is hierop gereageerd. Bij brief van 18 april 2012 heeft de Raad psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman benoemd als deskundige en hem verzocht onderzoek te doen naar de medische beperkingen van appellante.

Bij brief van 4 mei 2012 heeft het Uwv de vragen van 22 maart 2012 beantwoord. Daarbij is te kennen gegeven dat de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 augustus 2011 niet volledig juist is omdat het inkomen van appellante over februari 2008 is vastgesteld op een te hoog bedrag. Verder is meegedeeld dat een nieuwe gewijzigde beslissing op bezwaar zal worden genomen nadat de door de Raad benoemde deskundige verslag heeft gedaan van zijn bevindingen.

Op 24 augustus 2012 heeft de door de Raad benoemde deskundige een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.

Daarna heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 28 juni 2013. Partijen zijn daar niet verschenen.


OVERWEGINGEN

1.1. Per april 2005 is appellante aangesteld als medewerkster detachering voor 36 uur per week. Op 13 februari 2006 heeft appellante zich in verband met psychische klachten ziek gemeld en haar werkzaamheden als medewerkster detachering voor 36 uur per week gestaakt. Ruim anderhalf jaar daarna heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellante per

11 februari 2008 - in aansluiting op de wachttijd van 104 weken - een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet WIA op de grond dat appellante per 11 februari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is mede gebaseerd op de vaststelling dat appellante per

april 2005 al gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, zodat de werkzaamheden die appellante heeft verricht als medewerkster detachering voor 36 uur per week niet in volle omvang maatgevend kunnen worden geacht. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van

25 maart 2008 heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2008 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak afwijzend beslist op appellantes verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden renteschade.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat de medische beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest, dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv worden onderschat en dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante te boven gaat.

3.2.

Na vragen van de Raad heeft het Uwv te kennen gegeven dat, gelet op arbeidskundig onderzoek van 15 februari 2011, bestreden besluit I niet wordt gehandhaafd en de functie medewerkster detachering voor 36 uur per week alsnog in volle omvang wordt aangemerkt als maatmanfunctie. In verband daarmee is het besluit van 25 maart 2008 bij besluit van

31 maart 2011 (bestreden besluit II) herroepen, in die zin dat is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 11 februari 2008, de datum in geding, 45,12% bedraagt en dat appellante met ingang van die datum recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De resterende verdiencapaciteit van appellante is bij bestreden besluit II gesteld op

€ 817,41 per maand. Over februari 2008 is bij bestreden besluit II een LGU aan appellante toegekend van € 436,36 bruto inclusief vakantiegeld. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellante in februari 2008 naast de haar toegekende LGU een bruto inkomen had van

€ 747,77. Bij bestreden besluit II is besloten om de kosten die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar tot een bedrag van € 644,- te vergoeden.

3.3.

Vervolgens heeft het Uwv meegedeeld dat gelet op arbeidskundig onderzoek van

14 juli 2011 bestreden besluit II niet volledig wordt gehandhaafd. Bij besluit van

3 augustus 2011 (bestreden besluit III) is de resterende verdiencapaciteit van appellante nader vastgesteld op € 789,31 per maand. Verder is over februari 2008 een LGU aan appellante toegekend van € 601,79 bruto inclusief vakantiegeld. Daarbij is ervan uitgegaan dat appellante in februari 2008 naast de haar toegekende LGU een bruto inkomen had van

€ 527,49.

3.4.

Appellante heeft te kennen gegeven dat zij zich ook met bestreden besluit III niet kan verenigen. In dit verband heeft appellante opnieuw aangevoerd dat de medische beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest, dat haar medische beperkingen worden onderschat en dat de belasting in de geduide functies haar belastbaarheid te boven gaat. Appellante meent dat zij per datum in geding recht heeft op een IVA-uitkering of een LGU die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot en met 100%. Naar aanleiding van de benoeming van psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman als deskundige, heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regeling strijdig is met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 10 van de Grondwet, aangezien in die regeling niet is voorgeschreven dat partijen, voorafgaand aan de benoeming van een deskundige, in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen omtrent die deskundige kenbaar te maken. Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van de theoretische schatting die aan bestreden besluit III ten grondslag ligt heeft appellante gesteld dat de geduide functies inpakker (SBC-code 111190), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) wegens de toepasselijke taal-, opleidings- en niveau-eisen niet geschikt voor haar zijn. Bovendien mag de functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) volgens appellante hoe dan ook niet meer aan de schatting ten grondslag worden gelegd, omdat het Uwv deze functie volgens appellante in de bezwaarfase als niet passend heeft laten vallen. Appellante heeft verzocht om het Uwv alsnog te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten en de door haar geleden renteschade. Verder heeft appellante gewezen op de lange duur van de procedure en heeft zij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Het Uwv heeft het bestreden besluit I hangende hoger beroep niet gehandhaafd. Daarom komen zowel de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond is verklaard, als het bestreden besluit I in aanmerking voor vernietiging.

4.2.

Met bestreden besluit II en bestreden besluit III is niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellante. Daarom zijn deze besluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb betrokken in de procedure in hoger beroep.

4.3.

Nu het Uwv ook bestreden besluit II hangende hoger beroep niet onverkort handhaaft, komt dit besluit eveneens in aanmerking voor vernietiging, behoudens voor zover bij bestreden besluit II is besloten om de kosten te vergoeden die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van haar bezwaar.



4.4.1. De door appellante aangevoerde gronden die betrekking hebben op de medische onderbouwing van bestreden besluit III slagen niet. De door de Raad benoemde deskundige, de psychiater/neuroloog Kemperman, is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, voor zover die belastbaarheid betrekking heeft op psychiatrische aspecten, op juiste wijze is verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die mede ten grondslag ligt aan de theoretische schatting waarop bestreden besluit III berust. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport van Kemperman niet te volgen.

4.4.2.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 8:47 van de Awb strijdig is met artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet, aangezien in artikel 8:47 van de Awb niet is voorgeschreven dat partijen, voorafgaand aan de benoeming van een deskundige, in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen omtrent die deskundige kenbaar te maken. Daarover wordt opgemerkt dat artikel 8:47 van de Awb er niet aan in de weg staat dat partijen voorafgaand aan de benoeming van een deskundige in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen omtrent die deskundige kenbaar te maken en dat dit in het onderhavige geval, in overeenstemming met de vaste praktijk van de Raad, is gebeurd. De stelling dat artikel 8:47 van de Awb strijdig is met artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet kan daarom, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot de conclusie dat de bevindingen van Kemperman in het onderhavige geding buiten beschouwing moeten worden gelaten. Er is door de Raad geen grond gezien om appellantes verzoek om een andere deskundige dan Kemperman te benoemen te honoreren. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante geen concrete, met objectieve gegevens onderbouwde, bezwaren heeft aangevoerd tegen de benoeming van Kemperman en tegen de wijze waarop hij zijn onderzoek naar haar psychische beperkingen heeft verricht.

4.4.3.

Verder is er geen grond om de gehanteerde FML wat betreft de lichamelijke conditie van appellante niet juist te achten of om ter zake nader onderzoek te laten verrichten. Dat appellante in de bezwaarfase niet is gezien door de bezwaarverzekeringsarts leidt niet tot een ander oordeel, aangezien appellante geen medische informatie heeft overgelegd die daartoe noodzaakte of die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding dan de FML doet. Dat de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie over haar rugklachten en oorsuizen niet leidt tot aanscherping van de FML is toereikend gemotiveerd in het rapport van bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté van 18 januari 2010 en het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep R. Rombout van 29 februari 2012, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.


4.5.1. Wat betreft de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit III wordt voorop gesteld dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van inpakker

(SBC-code 111190), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn te achten. In dit verband wordt verwezen naar het rapport van arbeidskundige bezwaar en beroep P.G. Reijnen van 15 februari 2011.

4.5.2.

Er is geen grond om de geduide functies niet passend te achten op de grond dat appellante niet voldoet aan gestelde taal-, opleidings- en niveau-eisen. Uit de functiebeschrijvingen in het Resultaat Functiebeoordeling, die als bijlage bij het onder punt 4.5.1 genoemde rapport van 15 februari 2011 is gevoegd, blijkt dat het Uwv eenvoudige en routinematige functies heeft geduid waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en, in de functie productiemedewerker industrie, eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt. Gelet hierop zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante onvoldoende ontwikkeld is om de geduide functies uit te kunnen oefenen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante een behoorlijk opleidingsniveau heeft en ten tijde van belang al 15 jaar in Nederland woonde. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat er bij appellante sprake is van een uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om haar beheersing van de Nederlandse taal waar nodig te verbeteren.

4.5.3.

Appellante heeft gesteld dat het Uwv de functie huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334) in de bezwaarfase als niet passend heeft laten vallen. Dit is feitelijk onjuist. Wel heeft het Uwv in de bezwaarfase de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) laten vallen en in plaats daarvan de functie textielproductenmaker (SBC-code 111160) geduid, omdat bezwaararbeidskundige T.C.W.J. Stokking meende dat appellante niet in staat kon worden geacht eenvoudige schriftelijke instructies op te volgen. Arbeidskundige bezwaar en beroep P.G. Reijnen heeft in zijn rapport van 15 februari 2011 de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) opnieuw geduid. Gelet op punt 4.5.2, en in aanmerking genomen dat bestreden besluit III is gebaseerd op een einde-wachttijdschatting, is dat niet ontoelaatbaar.

5.

Bij brief van 4 mei 2012 heeft het Uwv te kennen gegeven dat het bestreden besluit III niet volledig juist is, omdat het inkomen van appellante over februari 2008 is vastgesteld op een te hoog bedrag. Daarbij is meegedeeld dat een nieuwe gewijzigde beslissing op bezwaar zal worden genomen nadat de door de Raad benoemde deskundige verslag heeft gedaan van zijn bevindingen. Het Uwv heeft evenwel verzuimd om na 24 augustus 2012 een gewijzigde beslissing op bezwaar te nemen, althans om daarvan aan de Raad mededeling te doen.


6. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het in rechtsoverweging 5 beschreven verzuim te herstellen.

7.

Omdat het onderhavige geding met deze tussenuitspraak niet wordt beëindigd, zal nog geen uitspraak worden gedaan over appellantes nevenvorderingen inzake griffierecht, proceskosten, renteschade en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en E.E.V. Lenos en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2013.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) G.J. van Gendt

EH