Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
12-679 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat appellant voor zijn afwezigheid op drie data geen voldoende aannemelijke verklaring heeft gegeven. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het dagelijks bestuur de afwezigheid van appellant op de genoemde drie data als plichtsverzuim mocht aanmerken. De Raad is voorts van oordeel dat het dagelijks bestuur over voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens beschikte om te concluderen dat appellant structureel meer gewerkte cursus- dan wel overuren in de administratie heeft verwerkt dan waarop hij in werkelijkheid recht had. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zonder toestemming van het bestuur is gestart met de opleiding ‘AWB Primair’, nadat hij een andere opleiding, waarvoor hij wel toestemming had, niet had afgerond. De Raad is van oordeel dat de hierboven besproken drie verwijten tezamen genomen ernstig plichtsverzuim opleveren. Met de rechtbank legt de Raad het zwaartepunt bij de urendeclaraties. Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank heeft bepaald dat het bestuur aan appellant een schadevergoeding van € 500,- dient te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de bezwaar- en beroepsfase. Zij stelde vast dat deze overschrijding geheel voor rekening van het dagelijks bestuur komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/679 AW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 december 2011, 11/208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.H.S.P. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.D. de Vos, advocaat, en K. Vink en B. Eijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 december 1999 in vaste dienst aangesteld bij de gemeente Amsterdam, laatstelijk in de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar bij de afdeling Veiligheid & Handhaving.

1.2. Na een voornemen daartoe, waarop appellant een reactie heeft gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 10 november 2009 aan appellant onvoorwaardelijk ontslag verleend, primair als straf wegens ernstig plichtsverzuim en subsidiair wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan door ziekte of gebreken. Bij besluit van 8 december 2010 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren van appellant tegen het besluit van

10 november 2009 ongegrond verklaard. Het bestuur heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de geldende regels niet op het werk is verschenen (afwezigheid), dat appellant een onjuiste urenadministratie heeft gevoerd en zichzelf aldus extra verlof heeft toegekend (urenadministratie) en dat appellant zich zonder toestemming heeft aangemeld voor een opleiding waarvan hij de kosten ten laste van het bestuur had willen brengen (aanmelding opleiding).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, doch hem een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

3.

Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 11.1 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) is vastgelegd dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar mag worden verwacht. In

artikel 13.4 NRGA is bepaald dat de ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

Afwezigheid

4.2.

Vast staat dat appellant op 29 januari 2009, 6 en 19 februari 2009 niet op het werk is verschenen, terwijl hij volgens het op dat moment van toepassing zijnde dienstrooster wel aanwezig behoorde te zijn. De Raad is van oordeel dat appellant voor zijn afwezigheid op deze drie data geen voldoende aannemelijke verklaring heeft gegeven. Appellant heeft onvoldoende ingebracht tegen de stelling van het dagelijks bestuur dat het nieuwe dienstrooster op 19 januari 2009 tijdens een bijeenkomst van de gehele afdeling is bekendgemaakt en dat hij bij deze bijeenkomst aanwezig is geweest. Voorts heeft hij onvoldoende bestreden dat hem in persoonlijke gesprekken op 26 januari 2009 en 10 februari 2009 is voorgehouden wat de nieuwe regeling voor hem aan verplichtingen meebracht. Van het gesprek op 10 februari 2009 is een verslag opgemaakt dat hij voor ontvangst heeft getekend. Hij heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk kunnen maken dat de inhoud van dit en andere verslagen niet met de werkelijkheid overeenstemt. Appellant was er dus mee bekend dat het vroegere dienstrooster, hierop neerkomende dat op de desbetreffende dagen gedurende vier uren niet behoefde te worden gewerkt indien er geen werkoverleg was gepland, niet langer gold. Zijn stelling dat deze nieuwe regeling pas op 1 maart 2009 zou ingaan houdt geen stand, omdat het nieuwe rooster, zoals ook uit het zojuist genoemde verslag blijkt, eerder in werking is getreden en daarover voldoende met hem is gecommuniceerd. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat appellant voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van het nieuwe rooster en dat hij wist waaraan hij zich diende te houden. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het dagelijks bestuur de afwezigheid van appellant op de genoemde drie data als plichtsverzuim mocht aanmerken.

Urenadministratie

4.3.

De Raad is voorts van oordeel dat het dagelijks bestuur over voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens beschikte om te concluderen dat appellant structureel meer gewerkte cursus- dan wel overuren in de administratie heeft verwerkt dan waarop hij in werkelijkheid recht had. Appellant was zelf verantwoordelijk voor een correcte administratie en het dagelijks bestuur mocht het vertrouwen hebben dat hij deze ook correct zou voeren. Niet van belang is of op eerdere registraties geen toezicht zou zijn gehouden, dat deze altijd zijn gefiatteerd of dat iedereen het deed zoals appellant, hetgeen het dagelijks bestuur overigens gemotiveerd heeft bestreden. Ook houdt geen stand dat appellant niet voldoende inzicht in het gebruik van het systeem had of van de regels die voor de registratie van de werktijden zouden gelden. Indien dit al zo was - hetgeen weinig aannemelijk is, omdat niet gebleken is dat ook collega’s van appellant niet met het systeem overweg konden -, kan dit geen rechtvaardiging vormen voor de invoer van onjuiste gegevens leidende tot een voor hem in vergelijking met anderen onaannemelijk hoog verlofsaldo. Appellant had zich, als hij het systeem inderdaad niet goed wist te hanteren, tijdig tot zijn leidinggevenden moeten wenden met het verzoek om hulp bij de correcte verwerking van de juiste gegevens. Voor zover appellant zich erop beroept dat hij heeft gehandeld overeenkomstig adviezen van door hem genoemde collega’s of leidinggevenden, is dit uit de verklaringen die dezen daaromtrent hebben afgelegd niet aannemelijk geworden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestuur de handelwijze van appellant als ernstig plichtsverzuim mocht aanmerken.

Aanmelding opleiding

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zonder toestemming van het bestuur is gestart met de opleiding ‘AWB Primair’, nadat hij een andere opleiding, waarvoor hij wel toestemming had, niet had afgerond. Uit zijn verklaringen kan worden afgeleid dat hij er aanvankelijk ten onrechte vanuit ging dat het opleidingsinstituut de vergoeding van de opleiding met het bestuur zou regelen. Deze handelwijze heeft het bestuur eveneens terecht als plichtsverzuim aangemerkt. De omstandigheid dat appellant de nota voor de gevolgde cursusonderdelen uiteindelijk zelf heeft betaald, kan, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, aan het plichtsverzuim niet afdoen.

4.5.

De Raad is van oordeel dat de hierboven besproken drie verwijten tezamen genomen ernstig plichtsverzuim opleveren. Met de rechtbank legt de Raad het zwaartepunt bij de urendeclaraties. Appellant heeft niet gehandeld zoals van een ambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Hij heeft ook in dit hoger beroep onvoldoende inzicht in de onjuistheid van zijn handelen getoond. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan dit handelen hem niet of slechts in verminderde mate zou moeten worden toegerekend. Op dit punt is ook onvoldoende aangevoerd. Het bestuur was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.6.

Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim, in aanmerking genomen appellants zelfstandige functie, de daaraan verbonden werkzaamheden die goeddeels buiten het zicht van leidinggevenden moest worden uitgevoerd, zijn kennis, alsmede de aan hem te stellen eisen van integriteit. Hetgeen appellant tegen dit standpunt van het bestuur heeft ingebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.7.

Nu het bestreden besluit op de primair daarin opgenomen grond stand houdt, behoeft de subsidiair in het bestreden besluit opgenomen ontslaggrond geen bespreking meer.

5.

De rechtbank heeft bepaald dat het bestuur aan appellant een schadevergoeding van € 500,- dient te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de bezwaar- en beroepsfase. Zij stelde vast dat deze overschrijding geheel voor rekening van het dagelijks bestuur komt. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat het zich in dit oordeel kan vinden. Ook de Raad acht dit oordeel juist. De rechtbank heeft echter verzuimd het bestreden besluit te vernietigen en bepalingen over griffierecht en proceskosten te geven. De Raad zal daarom, met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre en met vernietiging van het bestreden besluit onder instandlating van de rechtsgevolgen van dat besluit, doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het bestreden besluit niet is vernietigd en het

dagelijks bestuur niet is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en de betaalde

griffierechten aan appellant;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep

betaalde griffierecht tot een bedrag van € 377,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in

hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H.L.C. Hermans en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.K. Dekker

HD