Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
12-1886 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft bij brief aan het college verzocht haar op grond van het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten een vergoeding toe te kennen voor het door haar ten gevolge van het in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit geleden pensioengemis. Bij bestreden besluit heeft het college dit verzoek afgewezen. Het door betrokkene als oorzaak van haar financiële nadeel ingeroepen ontslagbesluit heeft op betrokkene strikt persoonlijk betrekking, terwijl met dit besluit direct noch indirect een breder algemeen belang is gemoeid. Dit breng mee dat het college het verzoek van betrokkene terecht en, althans subsidiair, op juiste grond heeft afgewezen. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ten onrechte gegrond heeft verklaard en dit besluit ten onrechte heeft vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2147
TAR 2014/34
ABkort 2013/360
AB 2014/421 met annotatie van M.K.G. Tjepkema
JB 2013/228
USZ 2013/339
JOM 2013/572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1886 AW, 12/2052 AW

Datum uitspraak: 19 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 maart 2012, 11/2234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (college)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. B.G. Ronteltap. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Hoendermis.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was sedert 1969 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) het hoogheemraadschap, laatstelijk in de functie van coördinator Handhaving bij de afdeling Vergunningverlening en Handhaving van de sector Waterbeheer.

1.2. Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het college betrokkene met ingang van 1 december 2007 ontslag verleend op grond van artikel 8.1.8 van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW). Bij dit ontslag op “andere gronden” (vertrouwensbreuk) heeft het college betrokkene met toepassing van het tweede lid van genoemd artikel een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke uitkering overeenkomstig paragraaf 9.1 van de SAW gegarandeerd. Daarnaast is betrokkene een vergoeding van € 20.000,- bruto toegekend. Bij besluit van 25 april 2008 heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 oktober 2007 gegrond verklaard met dien verstande dat haar een aanvulling op de haar gegarandeerde uitkering(en) is verleend tot 90% van haar laatstverdiende salaris.

1.3. Bij zijn uitspraak van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1904, inzake het door de rechtbank Utrecht in beroep in stand gelaten besluit van 25 april 2008 heeft de Raad vastgesteld dat het betrokkene verleende ontslag als zodanig niet (meer) ter discussie stond. Verder oordeelde de Raad dat de oorzaak van het ontstaan van de vertrouwensbreuk tussen partijen (nagenoeg) geheel aan de zijde van het college is gelegen en dat het college ook in het voortbestaan van de vertrouwensbreuk een overwegend aandeel heeft gehad. In verband hiermee heeft de Raad aan betrokkene met vernietiging in zoverre van het besluit van 25 april 2008, in aanvulling op de door het college al toegekende aanvulling tot 90% van het laatstverdiende salaris en de vergoeding van € 20.000,- bruto, nog een bedrag van € 50.000,- bruto aan betrokkene toegekend.

1.4. Vervolgens heeft betrokkene bij brief van 10 december 2010 aan het college verzocht haar op grond van het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten (égalité devant les charges publiques) een vergoeding toe te kennen voor het door haar ten gevolge van voornoemd in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit geleden pensioengemis.

1.5. Bij besluit van 5 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2010. Bij besluit van 23 juni 2011 heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Daartoe is, kort weergegeven, het volgende overwogen. Het college heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor een zelfstandig schadebesluit nu betrokkene al in de ontslagprocedure een vergoeding is toegekend. Het college heeft aldus volgens de rechtbank niet onderkend dat het in beginsel mogelijk is om nadat een rechtmatig besluit is genomen, een zuiver schadebesluit gebaseerd op het

égalité-beginsel aan te vragen. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd zodat dit zal worden vernietigd. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het égalité-beginsel niet slaagt omdat er geen referentiegroep is en het openbaar belang niet met het ontslagbesluit is gemoeid. De rechtbank deelt het standpunt van het college dat het beroep op het égalité-beginsel niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek van betrokkene om vergoeding. Nu dit verzoek dus terecht is afgewezen, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

3.

Zowel betrokkene als het college zijn in hoger beroep gekomen; betrokkene omdat zij meent dat haar beroep op het égalité-beginsel tot inwilliging van haar verzoek had moeten leiden en het college omdat het meent dat betrokkene haar verzoek niet kon baseren op dit beginsel en de rechtbank het bestreden besluit daarom ten onrechte heeft vernietigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 september 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD8231, zijn bestuursorganen op grond van het beginsel van

‘égalité devant les charges publiques’ (gelijkheid voor de openbare lasten) gehouden tot compensatie van onevenredige - buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - schade als gevolg van hun op de behartiging van het openbaar belang gerichte optreden en ziet dit beginsel derhalve niet op een individueel geval. Het door betrokkene als oorzaak van haar financiële nadeel ingeroepen ontslagbesluit heeft op betrokkene strikt persoonlijk betrekking, terwijl met dit besluit direct noch indirect een breder algemeen belang is gemoeid. Het beroep van betrokkene op meergenoemd beginsel is hier dan ook niet op zijn plaats. Dit breng mee dat het college het verzoek van betrokkene terecht en, althans subsidiair, op juiste grond heeft afgewezen.

4.2.

Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ten onrechte gegrond heeft verklaard en dit besluit ten onrechte heeft vernietigd. Het hoger beroep van het college slaagt en dat van betrokkene slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

5.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) T.A. Meijering

HD