Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
12-1029 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college de bijstand van appellant verlaagd met 50% gedurende een maand op de grond dat appellant, door niet op het trajectadres te verschijnen, niet heeft meegewerkt aan zijn traject bij Springplank. Door zich in die periode zonder bericht van verhindering niet op het trajectadres te melden, is appellant de op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een hem aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet nagekomen. De maatregel is op goede gronden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1029 WWB

Datum uitspraak: 17 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 januari 2012, 11/852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 augustus 2013, waar partijen - met

bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 14 maart 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 25 november 2010 heeft appellant een gesprek gehad met twee medewerkers van de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (dienst). Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat appellant is meegedeeld dat hij zal worden aangemeld voor het traject Springplank en dat appellant globaal op de hoogte was van de werkwijze bij Springplank. Voorts is appellant meegedeeld dat hij tijdens een intakegesprek bij Spingplank zal worden geïnformeerd over de inhoud van het traject.

1.3.

Bij brief van 6 januari 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat voor hem de arbeidsverplichtingen gelden die verbonden zijn aan de bijstand, dat de dienst hem actief wil begeleiden naar werk en dat hij met het oog daarop wordt uitgenodigd voor een intakegesprek bij het Team Groningen@Work op 13 januari 2011.

1.4.

Bij brief van eveneens 6 januari 2011 heeft het college aan appellant meegedeeld dat voor hem een traject is ingekocht bij DSW en dat hij zich op 14 januari 2011 om 10.00 uur moet melden op een bepaald adres (trajectadres). Aan appellant is meegedeeld dat het zonder opgaaf van redenen niet nakomen van deze afspraak gevolgen voor zijn uitkering heeft.

1.5.

Appellant heeft tijdens het intakegesprek op 13 januari 2011 verzocht enkele vakantiedagen te mogen opnemen en nadien per mail om verlenging van zijn vakantie tot en met 3 februari 2011, wat hem is toegestaan.

1.6.

Bij brief van 27 januari 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat hij na zijn vakantie met het traject dient te beginnen en dat hij zich op 4 februari 2011 om 7:40 uur op het trajectadres dient te melden. Aan appellant is meegedeeld dat het zonder opgaaf van redenen niet nakomen van deze afspraak gevolgen voor zijn uitkering heeft.

1.7.

Bij brief van 4 februari 2011 heeft appellant de dienst meegedeeld dat hij die dag wegens ziekte niet kon verschijnen heeft hij en zijn vakantiedagen in februari 2011 doorgegeven.

1.8.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college appellant toestemming gegeven de gevraagde dagen met vakantie te mogen gaan.

1.9.

Bij brief van 1 maart 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat zijn vakantie voorbij is en dat hij zich op maandag 7 maart 2011 om 7:40 uur op het trajectadres dient te melden. Appellant is wederom meegedeeld dat het zonder opgaaf van redenen niet nakomen van deze afspraak gevolgen voor zijn uitkering heeft.

1.10.

Bij besluit van 16 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2011 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2011 verlaagd met 50% gedurende een maand. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door op 7 maart 2011 en daarna niet op het trajectadres te verschijnen, niet heeft meegewerkt aan zijn traject bij Springplank.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat van een besluit waarin hem de verplichting is opgelegd om aan het traject bij Springplank deel te nemen niet is gebleken. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij op

7 maart 2011 niet is verschenen omdat hij die dag vakantie heeft genoten en dat het hem niet duidelijk was dat hij de dagen daarna op het trajectadres diende te verschijnen. In dat verband merkt appellant op dat hij door het college niet tijdig op de hoogte is gesteld van de huisregels van Springplank. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hem niet duidelijk is gemaakt welke gevolgen het niet verschijnen op het trajectadres voor hem zou hebben.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald - voor zover van belang - dat het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, verlaagt ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting voortvloeiende uit deze wet en dat van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het traject Springplank een voorziening is gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Anders dan appellant heeft aangevoerd is het college niet verplicht het aanbod van een dergelijke voorziening vast te leggen in een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen gelden immers van rechtswege.

4.3.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat appellant op 7 maart 2011 niet op het trajectadres is verschenen en dat hij die dag vakantie heeft genoten. Vaststaat verder dat appellant ook in de periode van 8 maart 2011 tot 16 maart 2011 niet op het trajectadres is verschenen. Gelet op de in 1.6 en 1.9 weergegeven inhoud van de brieven van 27 januari 2011 en 1 maart 2011 moet het appellant duidelijk zijn geweest dat hij zich na afloop van een vakantie moet melden op het trajectadres. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 8 maart 2011 tot 16 maart 2011 vakantie heeft opgenomen of verhinderd was aan het traject deel te nemen. Door zich in die periode zonder bericht van verhindering niet op het trajectadres te melden, is appellant de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een hem aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet nagekomen.

4.4.

De door appellant gestelde omstandigheid dat hem de huisregels van Springplank niet waren bekendgemaakt, brengt niet mee dat ter zake van de niet nakoming van de verplichting om gebruik te maken van een de hem aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In die huisregels - voor zover van belang - worden de werktijden bij Springplank vermeld. Ook uit de brieven van 27 januari 2011 en 1 maart 2011 had appellant kunnen afleiden dat hij na een vakantie om 7:40 uur bij Springplank moest beginnen. De omstandigheid dat het college appellant tweemaal na een langere vakantieperiode eraan heeft herinnerd op welke datum en op welk tijdstip hij zich op het trajectadres moest melden, betekent voorts niet dat het college appellant een dergelijke herinneringsbrief ook na opname van een enkele verlofdag had moeten sturen. Ook de beroepsgrond dat aan appellant niet duidelijk is gemaakt welke gevolgen het niet verschijnen op het trajectadres voor hem zou hebben, treft geen doel. Het college heeft appellant bij de brieven van 27 januari 2011 en 1 maart 2011 duidelijk gemaakt dat indien hij zich zonder opgaaf van redenen na een vakantie niet zou melden op het trajectadres, dit gevolgen heeft voor zijn uitkering. Indien appellant meer duidelijkheid over die gevolgen had willen hebben, had het op zijn weg gelegen zich voor informatie hieromtrent tot de dienst te wenden. Dit heeft appellant niet gedaan.

4.5.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2013

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.R. Schuurman

HD