Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
12-4886 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft bij het college twee keer een aanvraag om bijstand op grond van de WWB ingediend. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant in gebreke is gebleven voldoende inzicht te bieden in zijn financiële situatie in de periode direct voorafgaande aan zijn aanvraag en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Nu appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en zijn vaste lasten heeft betaald heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college heeft dan ook zijn beide aanvragen terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4886 WWB, 12/4887 WWB, 12/4888 WWB

Datum uitspraak: 17 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juli 2012, 10/1502, 11/2361, 11/3021 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eemnes (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendoorn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. I.C.M. Stam.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 10 september 2009 bij het college een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant bij brieven van 16 september 2009 en 22 september 2009 onder meer verzocht toe te lichten hoe hij het afgelopen jaar in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.2.

Bij besluit van 13 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit I), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit I heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in gebreke is gebleven voldoende inzicht te bieden in zijn financiële situatie in de periode direct voorafgaande aan zijn aanvraag en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3.

Het college heeft aan appellant met ingang van 1 maart 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend en die bijstand vervolgens met ingang van 9 december 2010 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken.

1.4.

Appellant heeft op 3 januari 2011 een aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant bij brief van 14 maart 2011 onder meer verzocht inzicht te geven in de wijze waarop hij de periode voorafgaande aan de intake op 21 januari 2011 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.5.

Bij besluit van 26 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 augustus 2011 (bestreden besluit II), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan bestreden besluit II heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarvan hij sinds het intrekken van de bijstand per 9 december 2010 heeft geleefd en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze onderdelen van de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij naar vermogen een verklaring heeft gegeven over de wijze waarop hij in het dagelijks levensonderhoud voorziet en daarvan de beschikbare bewijzen overgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om twee afwijzende beslissingen op aanvraag. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.2.

Uit de door appellant bij de twee aanvragen ter inzage gegeven bankafschriften en door hem verstrekte aanvullende informatie blijkt dat hij aan diverse schuldeisers aflost en zijn vaste lasten onregelmatig en gedeeltelijk via de bank betaalt en het overige deel van de vaste lasten betaalt via (contante) stortingen bij het postkantoor. De zorgtoeslag en de huurtoeslag die appellant ontvangt, zijn niet toereikend om de vaste lasten te betalen, zijn schulden af te lossen en te voorzien in de kosten van levensonderhoud. Het college heeft terecht aan appellant verzocht inzichtelijk te maken hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en waarvan de contante stortingen zijn betaald. De enkele stelling van appellant dat hij geld van familie en vrienden heeft geleend is hiertoe onvoldoende is. Appellant heeft nagelaten concrete en verifieerbare gegevens over te leggen waaruit opgemaakt kan worden wanneer en welke bedragen zijn familie (moeder en neven) en vrienden aan hem hebben betaald. De verklaring van J. de Groot dat hij appellant kleine bedragen leent, is onvoldoende concreet. De gevolgen van de omstandigheid dat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens kan overleggen omdat alle betalingen contant hebben plaatsgevonden, dienen voor zijn rekening en risico te blijven. Nu appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en zijn vaste lasten heeft betaald heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college heeft dan ook zijn beide aanvragen terecht afgewezen.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.R. Schuurman

ij