Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
12-1881 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bij besluit heeft het college de bijstand ingetrokken op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de bij het besluit gegeven hersteltermijn heeft verstrekt. Tevens heeft het college de kosten van de over de periode in geding verleende bijstand van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan appellant geen concreet verzoek gedaan om informatie te verstrekken over de plaats waar de voertuigen waren gestald. In aanmerking genomen dat appellant die informatie niet onverwijld uit eigen beweging had moeten verstrekken, is het standpunt van het college dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen openheid te verschaffen over de verblijfplaats van de betreffende voertuigen, onjuist. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Het college krijgt zes weken de tijd om dit gebrek te herstellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/156
USZ 2013/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1881 WWB-T

Datum uitspraak: 17 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

28 februari 2012, 11/4006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.H.M.J. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aarts en D. Pol. Het college heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 14 november 2010 heeft het college appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 20 september 2010 bijstand toegekend. Bij dat besluit heeft het college voorts meegedeeld dat het vermogen van appellant voorlopig is vastgesteld op nihil en dat het vermogen nog niet definitief kan worden vastgesteld omdat het college van appellant nog niet alle informatie heeft ontvangen. Om het vermogen definitief vast te stellen heeft het college appellant verzocht om voor 20 december 2010 kopieën van de kentekenbewijzen van de voertuigen die bij de Dienst Wegverkeer (RDW) op zijn naam staan in te leveren.

1.2.

Bij besluit van 10 januari 2011 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 20 december 2010 opgeschort. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de bij het besluit van 14 november 2010 gevraagde gegevens niet voor 20 december 2010 heeft verstrekt. Appellant wordt in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen voor 24 januari 2011.

1.3.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 20 september 2010 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de bij het besluit van 10 januari 2011 gegeven hersteltermijn heeft verstrekt. Voorts heeft het college de kosten van de over de periode van 20 september 2010 tot en met 20 december 2010 verleende bijstand tot een bedrag van € 2.215,28 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 24 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2011 met een wijziging van de grondslag van de intrekking van de bijstand ongegrond verklaard. Volgens het college heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij de kopieën van de kentekenbewijzen van de voertuigen die bij de RDW op zijn naam staan tijdig heeft verstrekt, zodat het besluit van 8 februari 2011 niet kan worden gehandhaafd op de grond waarop dat besluit berust. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld, voor zover van belang, dat de voertuigen met de kentekens [kenteken auto 1], [kenteken auto 2],

[kenteken motor 1] en [kenteken motor 2] (twee auto’s en twee motoren) behoren tot het vermogen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, dat de waarde van die voertuigen vanwege hun ouderdom niet kan worden achterhaald via de ANWB/BOVAG Koerslijst en dat het daarom nodig is die voertuigen te bezichtigen om tot een bepaling van de waarde van die voertuigen te komen. Volgens het college heeft appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen openheid te verschaffen over de verblijfplaats van de betreffende voertuigen en kan als gevolg daarvan niet worden vastgesteld of hij recht op bijstand heeft. Het college handhaaft de intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft appellant verzocht om een veroordeling tot het vergoeden van schade. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd toegelicht dat dit verzoek de wettelijke rente over de na te betalen bijstand betreft.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat de intrekking van de bijstand betreft ligt de periode van 20 september 2010 tot en met 8 februari 2011 ter beoordeling voor.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgrond herhaald dat gedurende de hier te beoordelen periode de voertuigen met de kentekens [kenteken auto 1],

[kenteken auto 2], [kenteken motor 1] en [kenteken motor 2] weliswaar op zijn naam stonden geregistreerd, maar dat de betreffende voertuigen niet behoorden tot het vermogen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4.3.

Het gegeven dat het kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daar niet in geslaagd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over de betreffende voertuigen kon beschikken. De Raad onderschrijft de overwegingen 11 tot en met 14 van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar. Wat appellant in hoger beroep ter nadere onderbouwing van zijn standpunt naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. De onder 4.2 weergegeven beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat door medewerkers van de gemeente Nijmegen tijdens diverse gesprekken is gevraagd waar de betreffende voertuigen waren gestald, dat hij tijdens die gesprekken naar vermogen op die vragen antwoord heeft gegeven, maar dat het college appellant niet eerder dan bij het bestreden besluit te kennen heeft gegeven dat de door hem verstrekte informatie niet voldoende was.

4.5.

In artikel 17, eerste lid, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.6.

Degene die beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over een voertuig is niet verplicht onverwijld uit eigen beweging bij het bijstandverlenend orgaan melding te maken van de plaats waar hij dit voertuig heeft gestald. De stallingsplaats van een voertuig betreft geen feit of omstandigheid waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het van invloed kan zijn op het recht op bijstand. In een geval als hier aan de orde, waarin de waarde van een voertuig niet zonder bezichtiging kan worden vastgesteld, is de belanghebbende wel verplicht op verzoek van het bijstandverlenend orgaan inlichtingen te verschaffen over de plaats waar dit voertuig is gestald of zich bevindt. Appellant was daarom verplicht op verzoek van het college openheid van zaken te geven waar de voertuigen met de kentekens [kenteken auto 1], [kenteken auto 2], [kenteken motor 1] en [kenteken motor 2] waren gestald.

4.7.

Vaststaat dat in gesprekken die appellant met medewerkers van de gemeente Nijmegen heeft gehad de plaats waar de betreffende voertuigen waren gestald aan de orde is geweest. Appellant heeft op 9 november 2010 tegenover twee medewerkers van de gemeente Nijmegen verklaard dat hij op dit moment niet weet waar de auto met kenteken [kenteken auto 1] staat, dat de auto met kenteken [kenteken motor 2] bij een boer in [woonplaats boer] staat en hij het precieze adres niet kan noemen en dat de motoren met de kentekens [kenteken auto 2] en [kenteken motor 1] staan gestald in een [bedrijfsverzamelgebouw]. Uit de verklaring blijkt niet dat het college appellant toen te kennen heeft gegeven dat hij de door appellant over de stallingsplaats van de voertuigen verstrekte informatie onvoldoende achtte. Uit de gedingstukken blijkt evenmin dat het college appellant nadien heeft verzocht om exact aan te geven waar de betreffende voertuigen waren gestald. Bij de onder 1.1 en 1.2 genoemde besluiten van 14 november 2010 en 10 januari 2011 is appellant slechts verzocht om kopieën van de kentekenbewijzen van de voertuigen die bij de RDW op zijn naam staan in te leveren, maar wordt niet gevraagd naar de stallingsplaats van die voertuigen. Ook tijdens de hoorzitting van 12 juli 2011 is niet aan de orde geweest waar de betreffende voertuigen zijn gestald.

4.8.

Gelet op wat is overwogen onder 4.7 moet het ervoor worden gehouden dat het college aan appellant geen concreet verzoek heeft gedaan om informatie te verstrekken over de plaats waar de voertuigen met de kentekens [kenteken auto 1], [kenteken auto 2], [kenteken motor 1] en [kenteken motor 2] waren gestald. Indien het college van oordeel was dat de door appellant tijdens het gesprek van

9 november 2010 gegeven informatie onvoldoende was, had het op zijn weg gelegen appellant expliciet te vragen om nadere inlichtingen om die onduidelijkheid over de stallingsplaats van de voertuigen weg te nemen. Het college heeft dat niet gedaan. In aanmerking genomen dat appellant, zoals in 4.6 is overwogen, die informatie niet onverwijld uit eigen beweging had moeten verstrekken, is het standpunt van het college dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen openheid te verschaffen over de verblijfplaats van de betreffende voertuigen, onjuist. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke motivering.

4.9.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan de onder 4.8 genoemde uitkomst moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten, omdat in verband met de afwezigheid van het college ter zitting niet bekend is of, en zo ja, op basis van welke motivering het college aan het bestreden besluit wenst vast te houden. Daarom bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant ter zitting te kennen heeft gegeven dat hem met ingang van 28 juni 2011 bijstand is toegekend en dat daarbij zijn vermogen op nihil is gesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 24 augustus 2011 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M.R. Schuurman

HD