Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
11-4607 WIJ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bij besluit heeft het dagelijks bestuur geweigerd appellante een werkleeraanbod ingevolge de WIJ te doen en tevens geweigerd aan haar een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen op de grond dat appellante op basis van haar verblijfsrechtelijke positie geen rechthebbende is als bedoeld in artikel 2 van de WIJ. In geschil is of appellante in de hier te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000, in welk geval het dagelijks bestuur haar als rechthebbende in de zin van artikel 2, tweede lid, van de WIJ had moeten aanmerken en het bestreden besluit voor zover de WIJ betreft op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht van appellante dient van een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te worden uitgegaan. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft de WIJ, ten onrechte in stand gelaten op de grond dat de onderzoeksplicht van het dagelijks bestuur niet verdergaat dan het verifiëren van de GBA-code bij de IND. De Raad kan niet zelf bepalen of appellante daadwerkelijk in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Hiervoor is nader onderzoek van het dagelijks bestuur nodig. Zij krijgen zes weken de tijd om dit uit te zoeken.

Wetsverwijzingen
Wet investeren in jongeren
Wet investeren in jongeren 2
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 10
Wet werk en bijstand 16
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/197
USZ 2013/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/4607 WIJ-T

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2011, 11/258 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur) als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 mei 2013 de bevoegdheden in het kader van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en de Wet werk en bijstand (WWB) uit, die voordien werden uitgeoefend door het college. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college.

Namens appellanten heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2013. Voor appellanten is verschenen mr. Visscher. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A.M. van Kempen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in 1986], heeft de Bulgaarse nationaliteit. Appellant geboren [in 2006], heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellante heeft zich op

17 augustus 2010 tot het dagelijks bestuur gewend omdat zij op dat moment niet kon voorzien in de kosten van levensonderhoud van zichzelf en appellant.

1.2.

Bij besluit van 2 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 december 2010 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur geweigerd appellante een werkleeraanbod ingevolge de WIJ te doen en tevens geweigerd aan haar een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) verblijfscode 38 heeft. Gezien haar verblijfsrechtelijke positie is appellante geen rechthebbende als bedoeld in artikel 2 van de WIJ. Voorts heeft het dagelijks bestuur het standpunt ingenomen dat er geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB zijn op grond waarvan bijstand moet worden verleend aan appellant.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het standpunt van appellante verworpen dat het dagelijks bestuur ten onrechte is uitgegaan van de GBA-code 38. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de onderzoeksplicht van het dagelijks bestuur niet verder dan het verifiëren van de GBA-code bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en daaraan heeft het dagelijks bestuur voldaan. Met betrekking tot de weigering van de bijstand voor appellant heeft de rechtbank overwogen dat de motivering van het bestreden besluit dat reeds vanwege de zorgplicht van de ouders geen sprake kan zijn van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van de WWB onjuist is. De rechtbank heeft het ter zitting door het dagelijks bestuur ingenomen standpunt onderschreven dat er geen zeer dringende redenen zijn om bijstand aan appellant te verlenen omdat appellanten bij een schoonzus van appellante inwonen, zij eten krijgen van de voedselbank en het dagelijks bestuur een ziektekostenverzekering voor appellant betaalt.

3.

Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag van een leeraanbod ingevolge de WIJ en de daarmee verband houdende vaststelling van het recht op inkomensvoorziening ingevolge die wet en een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om de aanvraag in te dienen tot en met de datum waarop op deze aanvraag is beslist. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 17 augustus 2010 tot en met 2 september 2010.

De WIJ

4.2.

In artikel 17, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), thans artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is - voor zover hier van belang - bepaald dat een burger van de Unie een ieder is die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 21, eerste lid, van het VWEU, heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Uit artikel 21, eerste lid, van het VWEU vloeit voort dat het verblijfsrecht wordt aangenomen, indien en zolang het onderzoek naar de beperkingen en voorwaarden, zoals onder meer vermeld in Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn), niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan.

4.3.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland en hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.

4.4.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn - voor zover thans van belang - behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van artikel 7 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Richtlijn leidt een beroep van de burger van de Unie of van diens familieleden op het sociale bijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

4.5.

Uit het eerste lid van artikel 24 van de Richtlijn volgt dat iedere burger van de EU die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft in beginsel dezelfde behandeling geniet als de onderdaan van dat gastland. In het tweede lid van dat artikel zijn de uitzonderingen op dit beginsel opgenomen. Het gastland is niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, vierde lid, onder b, bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

4.6.

Artikel 2, eerste lid, van de WIJ bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder jongere wordt verstaan een hier te lande woonachtige Nederlander van

16

jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In het tweede lid van artikel 2 van de WIJ is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

4.7.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer de Richtlijn, die in nationale wet- en regelgeving is geïmplementeerd en nader is uitgewerkt.

4.8.

In geschil is of appellante in de hier te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000, in welk geval het dagelijks bestuur haar als rechthebbende in de zin van artikel 2, tweede lid, van de WIJ had moeten aanmerken en het bestreden besluit voor zover de WIJ betreft op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in of omstreeks februari 2010 met haar zoon vanuit Duitsland naar Nederland is gekomen om hier gezinsleven uit te oefenen en dat de GBA-code 38 onjuist is.

4.9.

Bij de beantwoording van de vraag of appellante in de beoordelingsperiode rechtmatig verblijf had is het volgende van belang. Zoals de Raad heeft overwogen in enkele tussenuitspraken van 18 maart 2013, waaronder LJN BZ3855, brengt, hoewel het de primaire verantwoordelijkheid is van - thans - de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven, het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 10 van het EG-Verdrag, thans artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met zich dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening op de weg van het dagelijks bestuur om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of appellante aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. De omstandigheid dat appellante destijds stond geregistreerd onder verblijfscode 38 is daartoe onvoldoende. Zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht van appellante dient van een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te worden uitgegaan.

4.10.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur, desgevraagd, verklaard dat het dagelijks bestuur niet in overleg met de staatssecretaris heeft onderzocht of appellante aan het recht van de Unie in de beoordelingsperiode een verblijfsrecht hier te lande kon ontlenen. Het dagelijks bestuur is uitsluitend afgegaan op de GBA-code 38. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur verklaard dat bij navraag bij de IND op

14 april 2011 is gebleken dat de status van appellante vanaf 5 april 2011 nog steeds code 38 is. Door niet in overleg te treden met de staatssecretaris heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft de WIJ, ten onrechte in stand heeft gelaten op de grond dat de onderzoeksplicht van het dagelijks bestuur niet verdergaat dan het verifiëren van de GBA-code bij de IND. De Raad kan niet zelf bepalen of appellante daadwerkelijk in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Hiervoor is nader onderzoek van het dagelijks bestuur nodig.

4.11.

Gelet op hetgeen in 4.10 is overwogen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het dagelijks bestuur op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij opnieuw wordt vastgesteld of appellante recht heeft op een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ. Hierin ligt besloten dat de Raad thans geen oordeel geeft over het onderdeel van de aangevallen uitspraak voor zover dat betrekking heeft op het recht op bijstand van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het dagelijks bestuur op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 december 2010 inzake de beoordeling van het recht op inkomensvoorziening ingevolge de WIJ te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD