Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
13-3726 WMO-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Bij besluit heeft het college de aanvraag van verzoekster om in aanmerking te worden gebracht voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo afgewezen. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid vormt geen zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3726 WMO-VV

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2013,

nr. AWB 12/1047 (aangevallen uitspraak).

Namens verzoekster heeft mr. Schyns tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college de aanvraag van verzoekster om in aanmerking te worden gebracht voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat daarin naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarop de afwijzing van de gevraagde vervoersvoorziening is gebaseerd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat de gemachtigden van het college ter zitting dat inzicht wel hebben kunnen verschaffen en de ter zitting gegeven motivering de afwijzing voldoende kan dragen.

3.

Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij de toekenning van een vervoersvoorziening omdat haar gezondheidstoestand steeds verder achteruitgaat.


4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.1.

Gelet op artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraak van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.


4.3. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat het nu juist de ernst en de objectiveerbaarheid van verzoeksters aandoening(en) en de mogelijkerwijze antirevaliderende werking van het toewijzen van voorzieningen in geding zijn. Concrete medische gegevens die het gestelde acute karakter van verzoeksters situatie aannemelijk maken of althans kunnen dienen als een begin van bewijs dat het voor verzoekster medisch niet verantwoord is de bodemprocedure af te wachten, bevinden zich niet in het dossier. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid vormt daarom geen zodanig zwaarwegend belang dat de behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

4.4.

Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

5.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) Z. Karekezi

EH