Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
11-5817 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv appellante haar aanspraken op grond van de Wet Wajong geweigerd. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld en op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv in het bestreden besluit met juistheid heeft beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor ondersteuning in het kader van de Wet Wajong, omdat zij minimaal 75% van het minimumloon kan verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5817 Wajong

Datum uitspraak: 18 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

23 augustus 2011, 11/797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.T.E. Gommans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader arbeidskundig rapport ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gommans. Namens het Uwv is verschenen mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 25 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juli 2010, waarbij haar aanspraken op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) zijn geweigerd, ongegrond verklaard. Appellante wordt in staat geacht met arbeid ten minste 75% van het minimumloon te verdienen en is niet gedurende een periode van 52 weken meer dan 25% arbeidsongeschikt geweest. Aan het bestreden besluit liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag, evenals een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juni 2010.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich verenigd met de conclusies van de verzekeringsarts dat appellante beperkt is in zelfstandig handelen en aangewezen is op volledig voorgestructureerd werk, dat zij licht beperkt is in het omgaan met conflictsituaties, beperkt met anderen kan werken en geen solitaire functie of een functie met leidinggevende aspecten kan uitoefenen. De rechtbank heeft in de benoeming van een mentor en bewindvoerder voor appellante, noch in een CIZ-indicatie voor haar dagelijkse zorg en een rapport van de Stichting ORO, dat een verslag bevat van een in mei tot juli 2011 uitgevoerd gedragswetenschappelijk onderzoek, aanleiding gezien voor een andere conclusie. Met name is de rechtbank niet overtuigd dat appellante ongeschikt zou zijn voor alle vormen van arbeid in loondienst, nu door de verzekeringsarts is aangegeven dat appellante in voorkomend geval begeleiding nodig heeft en door de arbeidsdeskundige functies zijn geselecteerd waarin kan worden teruggevallen op collega’s of leidinggevenden. Zo nodig kan in het begin een jobcoach worden ingezet. De rechtbank heeft de geselecteerde functies ook voor wat betreft het vereiste opleidingsniveau geschikt geacht. Het Uwv heeft in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellante meer dan 75% van haar maatmaninkomen kan verdienen, zodat haar terecht aanspraken op grond van de wet Wajong zijn geweigerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie haar in bezwaar en beroep geuite bezwaren herhaald en verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Volgens appellante heeft de rechtbank het bestaan van zwaardere medische beperkingen, de noodzaak van een urenbeperking en het bezwaar tegen de passendheid van de functies miskend. Voor zoveel nodig heeft appellante verzocht een psychiater als deskundige te benoemen teneinde advies uit te brengen.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van
9 december 2011 ingebracht, waarin is geconcludeerd dat hetgeen in hoger beroep aan gegevens is ingebracht reeds bekend was en geen aanleiding geeft de beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 9 juni 2010, te wijzigen dan wel een urenbeperking nodig te achten. Voorts heeft bezwaararbeidsdeskundige M. Leentvaar desgevraagd in haar rapport van 26 juni 2013 de signaleringen bij de geselecteerde functies van een motivering voorzien, waarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.

4.1.2. Ingevolge artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong wordt de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, alsmede de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Evenals de rechtbank heeft geoordeeld en op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv in het bestreden besluit met juistheid heeft beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor ondersteuning in het kader van de Wet Wajong, omdat zij minimaal 75% van het minimumloon kan verdienen.

4.3.

De door appellante in de procedure bij de rechtbank ingebrachte gegevens over haar aandoeningen en beperkingen geven geen overtuigende indicaties dat appellante anders of meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Deitz van 9 december 2011, dat die gegevens de in de FML van 9 juni 2010 vastgelegde beperkingen feitelijk bevestigen, voor onjuist te houden. Een gelijk oordeel treft de door appellante gestelde en in het rapport van 9 december 2011 door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerde afwijzing van de noodzaak van een urenbeperking. In het nader arbeidsdeskundig rapport van 26 juni 2013 is - in aanvulling op de arbeidsdeskundige onderbouwing van de geduide functies van 24 januari 2011 - overtuigend gemotiveerd dat de geselecteerde functies niet tot overschrijding van de belastbaarheid van appellante leiden.

4.4.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3. is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

EH