Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
12-3184 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de ZW-uitkering beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Van de zijde van het Uwv is op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet buiten staat was zijn werk te verrichten. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die reden vormen om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken, zodat er ook geen aanleiding is voor een nader medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3184 ZW

Datum uitspraak: 18 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

25 april 2012, 11/1979 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Faber-Speksnijder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber-Speksnijder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau 20 uur per week als trajectbegeleider bij de gemeente Apeldoorn werkzaam geweest. Hij heeft zich op 27 december 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan hem uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2.

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 17 mei 2011 beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3.

Bij besluit van 9 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2011 ongegrond verklaard.

4.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank zag geen reden de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. Met de rapportages van bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings van 1 augustus 2011 en 20 januari 2012 is volgens de rechtbank afdoende toegelicht waarom de visie van de behandelend psychiater van appellant dr. H.L.S.M. Busard niet wordt gevolgd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De verzekeringsarts die appellant medio april 2011 op het spreekuur heeft gezien is op grond van haar onderzoeksbevindingen en gelet op de informatie van voornoemde psychiater toen reeds tot de conclusie gekomen dat appellant zijn werk wel kon verrichten, maar dat het probleem was gelegen in de omstandigheid dat appellant geen werk had. Om appellant even tijd te geven om actief te solliciteren heeft de verzekeringsarts hem per 2 mei 2011 hersteld verklaard en daartoe op 14 april 2011 een verklaring van arbeidsgeschiktheid afgegeven. Na een tussentijdse verzekeringsgeneeskundige rapportage van 12 mei 2011 is vervolgens het primaire besluit genomen dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Dit besluit berust op een rapport van 1 augustus 2011 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts, die na onderzoek van appellant en kennisneming van nadere informatie van appellants huisarts gemotiveerd heeft uiteengezet dat er ook gelet op de bevindingen van de primaire verzekeringsarts geen reden is om haar standpunt niet te volgen. Bij onderzoek is immers geen ernstig depressieve man gezien, terwijl het standpunt van voornoemde psychiater dat er sprake was van een

posttraumatische stress-stoornis, gezien de bevindingen bij het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts, niet kon worden onderschreven. In een rapport van

20 januari 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts vervolgens voldoende overtuigend uiteengezet waarom aan de mening van voornoemde psychiater geen beslissende betekenis kan worden toegekend, daarbij opmerkend dat zijn standpunt dat appellant niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten de bevoegdheid van de behandelend psychiater te buiten gaat.

5.2.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is van de zijde van het Uwv op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet buiten staat was zijn werk te verrichten. De overgelegde verklaring van appellants huisarts van 3 juli 2013 beschrijft verder slechts de actuele situatie van appellant. Appellant heeft dan ook geen medische gegevens ingebracht die reden vormen om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken, zodat er ook geen aanleiding is voor een nader medisch onderzoek.

5.3.

Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

QH