Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-2386 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1154, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid te kennen gegeven waarom deze gronden niet slagen. Terecht is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft onderbouwd waarom hij geen aanleiding heeft gezien tot het innemen van een ander standpunt. Door de bezwaarverzekeringsarts is afdoende onderbouwd dat de medische situatie van appellant op de datum in geding minder ernstig was dan die op 14 maart 2011. Door de bezwaararbeidsdeskundige is afdoende toegelicht dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2386 WIA

Datum uitspraak: 13 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 maart 2012, 10/4540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nog nadere stukken ingediend met betrekking tot het besluit van 22 december 2011 waarbij appellant is meegedeeld dat voor hem met ingang van

14 maart 2011 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2013. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 17 juli 2008 is appellant uitgevallen voor zijn werk als medewerker tuinbouw in verband met psychische klachten, hartkloppingen en hoge bloeddruk. Bij besluit van

10 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 15 juli 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 9 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De door appellant in beroep aangevoerde gronden geven, gelet op de voorhanden zijnde medische stukken, geen reden om de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Dat de psychische gezondheidstoestand van appellant met ingang van

14 maart 2011 zodanig was dat hem per die datum een WIA-uitkering is toegekend doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank acht afdoende gemotiveerd door het Uwv dat de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

3.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat, met name ten aanzien van de concentratie, het handelingstempo en de urenomvang. De (ernstiger) psychiatrische toestand van appellant zoals vastgesteld door psychiater Eerden in april 2011, welke heeft geleid tot toekenning van een WGA-uitkering met ingang van 14 maart 2011, heeft wel degelijk gevolgen voor de beoordeling van zijn psychische toestand over de periode van 15 juli 2010 tot 14 maart 2011. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de gemachtigde van appellant verwezen naar het commentaar van Instituut Psychosofia gedateerd 19 juni 2012.

4.1.

De Raad overweegt het volgende.

4.2.

Appellant is sinds zijn uitval in juli 2008 met enige onderbrekingen onder behandeling geweest bij de RIAGG. Psychiater Kmetic, werkzaam bij de RIAGG, heeft op

17 september 2008 vastgesteld dat bij appellant sprake is van een matige, recidiverende depressieve stoornis, zonder psychotische verschijnselen. Appellant gebruikte Zoloft als medicatie en gaf de voorkeur aan medicamenteuze behandeling. In oktober 2009 heeft de RIAGG de behandeling (medicatiebeleid) overgedragen aan de huisarts en de behandeling van appellant afgesloten. In juli 2010 is appellant door de huisarts verwezen naar de neuroloog in verband met hoofdpijnklachten. De neuroloog stelde geen afwijkingen vast en gaf te kennen dat een relatie met psychosociale stressmomenten lijkt te bestaan. Hij heeft appellant doorverwezen naar klinisch psycholoog De Gier, bij wie appellant in augustus 2010 onder behandeling kwam. De behandeling van De Gier had geen positief resultaat en De Gier heeft geconcludeerd dat sprake was van chronische psychiatrische klachten waarvoor psychiatrische behandeling geïndiceerd lijkt. Eind november 2010 is de behandeling bij De Gier afgesloten. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft ten aanzien van de datum in geding,
15 juli 2010, beperkingen vastgesteld in verband met depressieve stoornis, matig van aard, en hoge bloeddruk en deze neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2010.

4.3.

De huisarts heeft appellant, op advies van De Gier, doorverwezen naar het Vlietland Ziekenhuis te Schiedam (GGZ Delfland), waar appellant op 14 maart 2011 een intakegesprek heeft gehad. Na consultatie van psychiater Eerden op 24 maart 2011 bleek dat bij appellant sprake was van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken, met een

GAF-score van 35. Appellant heeft zich gemeld bij het UWV met een per 14 maart 2011 verslechterde gezondheid. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bleek dat op basis van de per 14 maart 2011 aangepaste FML er voor appellant geen passende functies waren te duiden en om die reden is aan appellant bij beslissing op bezwaar van

20 december 2011 een WGA-uitkering toegekend met ingang van 14 maart 2011, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is gesteld op 100%. De bezwaarverzekeringsarts Janssens heeft bij rapporten van 29 november 2011 en 19 januari 2012 toegelicht dat, op basis van bovenvermelde medische informatie en na eigen onderzoek van appellant, de FML van

26 april 2010 gehandhaafd kan blijven ten aanzien van de datum van 15 juli 2010, maar dat op 14 maart 2011 sprake was van een ernstiger ziektebeeld waarvoor ernstigere beperkingen moeten worden aangenomen.

4.4.

De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid te kennen gegeven waarom deze gronden niet slagen. Terecht is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van de door appellant aangevoerde gronden, afdoende heeft onderbouwd waarom hij geen aanleiding heeft gezien tot het innemen van een ander standpunt. De in hoger beroep ingediende gronden geven de Raad evenmin aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Door de bezwaarverzekeringsarts is afdoende onderbouwd dat de medische situatie van appellant op de datum in geding minder ernstig was dan die op

14 maart 2011. Appellant heeft in hoger beroep geen medische onderbouwing ingebracht die twijfel oproept aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Aan het door appellant ingebrachte commentaar van Instituut Psychosofia gedateerd

16 juni 2012 hecht de Raad niet de waarde die appellant eraan gehecht wenst te zien.

4.5.

De bezwaararbeidsdeskundige is ervan uitgegaan dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid van tuinbouwmedewerker en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op basis van de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), wikkelaar (SBC-code 267050) en machinebediende (SBC-code 271093). Door de bezwaararbeidsdeskundige is afdoende toegelicht dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.6.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

4.7.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) noch voor een veroordeling tot vergoeding van door appellant geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

EH