Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
11-98 AOR-G
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2013:1523 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2013:CA0314.

Vaststelling ingangsdatum. Anders dan verweerster kennelijk meent, is van de als uitzonderlijk te beschouwen situatie van een feitelijk nieuwe aanvraag in dit geval geen sprake. Appellant heeft in bezwaar de bevindingen van Laatsch met betrekking tot zijn psychische klachten bestreden. Van den Brand heeft, in lijn met het bezwaar van appellant, uit die klachten een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage afgeleid. Nu verweerster aanleiding heeft gezien om Van den Brand te volgen, had (ook) de daaruit voortvloeiende aanpassing van de uitkering behoren in te gaan op de eerste dag van de maand waarin appellant zijn aanvraag heeft ingediend, zijnde 1 juli 2008. Toewijzing vergoeding van de door appellant in verband met het bezwaar gemaakte kosten. Heropening onderzoek in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/98 AOR-G

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [Appellant] (appellant)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 23 december 2010, kenmerk 0008144/CAOR (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.M.J. Gielen.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1943 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft op 25 juli 2008 verzocht om een uitkering en voorzieningen op grond van de AOR. Verweerster achtte voldoende aannemelijk dat appellant tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest, en heeft naar aanleiding van de aanvraag medisch onderzoek doen verrichten door G.J. Laatsch, arts. Deze heeft in een rapportage van 17 september 2009 vastgelegd dat betrokkene als gevolg van causale klachten voor 20% ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft verweerster appellant, met ingang van 1 juli 2008, onder meer een invaliditeitsuitkering toegekend, waarbij de conclusie van Laatsch is gevolgd. Gelet op het bepaalde in de AOR is rekening gehouden met de helft van het door Laatsch vastgestelde percentage en is de uitkering dus berekend naar een percentage van 10.

1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 15 maart 2010 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft verweerster opnieuw medisch onderzoek laten verrichten, ditmaal door F.A.M. van den Brand, arts. Van den Brand heeft in een rapportage van 12 juli 2010 geconcludeerd tot een causaal bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid van 30%. Gelet op deze conclusie heeft verweerster bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het causale arbeidsongeschiktheidspercentage met ingang van 1 maart 2010, zijnde de eerste dag van de maand waarin het bezwaar is ingediend, vastgesteld op 30, met een uitkeringspercentage van 15. Omdat volgens verweerster geen sprake was van onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerster daarbij geweigerd een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen.

2.

Appellant is van mening dat het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage op een eerdere datum had moeten ingaan. Hij heeft benadrukt dat zijn klachten na het onderzoek van Laatsch niet zijn toegenomen. De diagnose van Van den Brand had volgens appellant ook door Laatsch moeten worden gesteld. Verder is appellant het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van bezwaarkosten.

3.

De Raad overweegt het volgende.

3.1.

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de AOR gaan de daarin bedoelde uitkering en voorzieningen in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. Doorslaggevend voor de bepaling van de ingangsdatum is dus het moment van de aanvraag. De tijdstippen van verdere procedurele ijkpunten, zoals bijvoorbeeld verificatie of medisch onderzoek, zijn in dit verband niet van belang.

3.2.

Wordt tegen een krachtens de AOR genomen besluit bezwaar gemaakt, dan brengt de naar aanleiding van dat bezwaar te verrichten heroverweging geen verschuiving van de ingangsdatum met zich mee. Bepalend is en blijft het moment van indiening van de aanvraag. Alleen als uit het bezwaar zou blijken van geheel nieuwe, bij het primaire besluit nog niet meegenomen feiten of omstandigheden, die in feite tot een nieuwe aanvraag zouden nopen, zou er voor verweerster ruimte kunnen bestaan om het bezwaarschrift in zoverre als een zodanige, tot een andere ingangsdatum leidende, aanvraag aan te merken. Verwezen wordt in dit verband naar de rechtspraak van de Raad in soortgelijke geschillen over de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2008,

LJN BE9840. Genoemde wetten kennen op dit punt eenzelfde systematiek als de AOR.

3.3.

Anders dan verweerster kennelijk meent, is van de als uitzonderlijk te beschouwen situatie van een feitelijk nieuwe aanvraag, zoals onder 3.2 bedoeld, in dit geval geen sprake. Appellant heeft in bezwaar de bevindingen van Laatsch met betrekking tot zijn psychische klachten bestreden. Van den Brand heeft, in lijn met het bezwaar van appellant, uit die klachten een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage afgeleid. Nu verweerster aanleiding heeft gezien om Van den Brand te volgen, had (ook) de daaruit voortvloeiende aanpassing van de uitkering behoren in te gaan op de eerste dag van de maand waarin appellant zijn aanvraag heeft ingediend, zijnde 1 juli 2008. Dat Van den Brand in zijn rapportage heeft opgemerkt dat de door hem vastgestelde afwijkingen van de bevindingen van Laatsch ten tijde van het onderzoek van Laatsch nog niet bestonden, kan aan die conclusie niet afdoen. Blijkens de door Van den Brand gekozen bewoordingen berust deze constatering niet op enige eigen beoordeling van de medische toestand van appellant ten tijde van het onderzoek van Laatsch, maar puur op een vergelijking van onderzoeksbevindingen, waarbij de bevindingen van Laatsch als een gegeven in aanmerking zijn genomen. Voor een relevante verslechtering van de gezondheidstoestand in de tussentijd zijn ook overigens geen aanknopingspunten aanwezig.

3.4.

Op dit punt slaagt het beroep. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de ingangsdatum 1 maart 2010 is gehanteerd, en de ingangsdatum ten aanzien van de bij dat besluit berekende uitkering bepalen op 1 juli 2008.

4.

Wat betreft het niet vergoeden van bezwaarkosten wordt het volgende overwogen. Het overwogene onder 3.4 betekent dat de Raad in feite het besluit van 15 maart 2010 in verdergaande mate zal herroepen dan verweerster bij het bestreden besluit heeft gedaan. Deze herroeping berust op aan verweerster te wijten onrechtmatigheid. De Raad zal daarom ook op dit punt het bestreden besluit vernietigen en verweerster op grond van artikel 7:15, tweede lid, in verbinding met artikel 8:75 van de Awb, veroordelen tot vergoeding van de door appellant in verband met het bezwaar gemaakte kosten.

5.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 

5.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt. 

5.2.

In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan

twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179). 

5.3.

Voor het geval van appellant betekent dit het volgende. Het inleidend bezwaarschrift is door verweerster op 29 maart 2010 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim drie jaar verstreken. Dat is meer dan twee-en-een-half jaar. Vanaf de ontvangst door verweerster van het bezwaarschrift tot de datum van het bestreden besluit zijn bijna negen maanden verstreken. Vanaf de ontvangst van het inleidend beroepschrift door de Raad op 6 januari 2011 tot aan de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal naast verweerder de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure worden aangemerkt.

6.

Zoals is overwogen onder 4, is er aanleiding verweerster te veroordelen in de bezwaarkosten van appellant, tot een bedrag van € 944,- aan kosten van rechtsbijstand. De Raad zal verweerster daarnaast veroordelen in de kosten van appellant in beroep, eveneens tot een bedrag van € 944,- aan kosten van rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de Raad.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de ingangsdatum van de daarbij berekende

uitkering is bepaald op 1 maart 2010 en een vergoeding van bezwaarkosten is geweigerd;

- stelt de genoemde ingangsdatum vast op 1 juli 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerster in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van

€ 944,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van

eveneens € 944,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem in beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 35,- vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummers 13/2221 BESLU en 13/2222

BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in

verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der

Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.T.P. Pot

HD