Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-4569 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderbijslag. De Svb heeft de beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag van appellant terecht beperkt tot de periode van vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag om kinderbijslag, conform gewijzigd beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4569 AKW en 13/1287 AKW

Datum uitspraak: 13 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2012, 10/5881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft op 23 januari 2013 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellant is bij brief van 6 maart 2013 te kennen gegeven dat appellant zich niet volledig kan verenigen met het nieuwe besluit van 23 januari 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2013. Namens appellant is daarbij verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1960 en in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit, is enige tijd in Nederland werkzaam geweest. Hij heeft zich arbeidsongeschikt gemeld en heeft laatstelijk van 7 juli 1994 tot en met 5 juli 1995 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Destijds is appellant in aanmerking gebracht voor kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Met ingang van het vierde kwartaal van 1995 is de kinderbijslag niet meer uitbetaald. Appellant is medio 1996 teruggekeerd naar Marokko en verbleef daar op een voor de Svb onbekend adres.

1.2. Op 19 december 2008 is namens appellant aan de Svb verzocht om toekenning van kinderbijslag, omdat inmiddels per 30 mei 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant was toegekend. Appellant heeft gewezen op een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 8 april 2008.

1.3. Bij besluit van 2 juli 2010 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag toe te kennen. Daarbij heeft de Svb de aanspraak op kinderbijslag beoordeeld met ingang van het vierde kwartaal van 2007 en vastgesteld dat appellant toen niet meer verplicht verzekerd was op grond van de volksverzekeringen. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2010 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de aanspraak op kinderbijslag niet wordt beoordeeld met een langere terugwerkende kracht dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend, omdat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW. Appellant heeft zijn aanspraken op kinderbijslag niet veiliggesteld, omdat hij de Svb vóór het tijdstip van toekenning van de WAO-uitkering niet heeft geïnformeerd over de mogelijke toekomstige aanspraak op een dergelijke uitkering. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2010.

2.1. De Svb heeft op 20 september 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft de Svb appellant alsnog verzekerd geacht voor de volksverzekeringen en hem in aanmerking gebracht voor kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2007. De Svb heeft daarbij gehandhaafd het standpunt dat geen sprake is van een bijzonder geval om de kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht toe te kennen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover dat gericht was tegen de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard, onder veroordeling van de Svb in de proceskosten van appellant. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 20 september 2011 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegenomen in de beroepsprocedure en heeft het beroep voor zover dat gericht was tegen dat besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb het recht op kinderbijslag terecht met een terugwerkende kracht van één jaar vanaf de datum van de aanvraag heeft beoordeeld, omdat appellant zijn recht op kinderbijslag niet heeft veiliggesteld. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 20 september 2011.

3.1. In hoger beroep heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2013 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf het vierde kwartaal van 2003 recht op kinderbijslag heeft, onder betaling van de wettelijke rente. Het standpunt dat appellant zijn aanspraak op kinderbijslag niet heeft veiliggesteld blijft gehandhaafd, zodat het recht op kinderbijslag niet wordt beoordeeld met ingang van het derde kwartaal van 1995.

3.2. Bij brief van 6 maart 2013 wordt namens appellant aangevoerd dat hij zijn aanspraak op kinderbijslag heeft veiliggesteld in het vierde kwartaal van 1995, zodat hij met ingang van dat kwartaal in aanmerking komt voor kinderbijslag.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Het besluit van 23 januari 2013 is een nieuwe beslissing op het tegen het besluit van 2 juli 2010 gemaakte bezwaar, dat het door de rechtbank beoordeelde besluit van 20 september 2011 vervangt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het besluit van 20 september 2011 in stand is gelaten. Nu het besluit van 23 januari 2013 niet geheel tegemoet komt aan appellant, wordt dit besluit, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de Svb de beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag van appellant terecht heeft beperkt tot de periode van vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag om kinderbijslag.

4.3.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De Svb is bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken van de termijn van één jaar.

4.4.

In zijn besluit van 23 januari 2013 heeft de Svb aangegeven in 2012 zijn beleid te hebben gewijzigd. In gevallen waarin bij een overheidsorgaan een verzoek is ingediend tot vaststelling van het recht dat van doorslaggevend belang is voor het recht op kinderbijslag, neemt de Svb thans aan dat sprake is van een bijzonder geval. Te denken valt aan een verzoek tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor in het buitenland verblijvende personen. In deze gevallen wordt een maximale terugwerkende kracht verleend van vijf jaar. Van een verdergaande terugwerkende kracht kan slechts sprake zijn als meer dan vijf jaar voor de definitieve aanvraag om kinderbijslag een daad van veiligstellen heeft plaatsgevonden. Dit beleid is in overeenstemming met hetgeen de Raad in zijn rechtspraak heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 september 2009, ECLI:NL:CRvB:2009:BI1503).

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit de door de Detam, de toenmalige bedrijfsvereniging, ingevulde en naar de Svb verzonden inlichtingenformulieren uit de jaren 1994, 1995 en 1997 niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een daad van veiligstellen als hiervoor onder 4.4 is bedoeld. Uit die formulieren blijkt weliswaar dat appellant in 1994-1995 een Ziektewet-uitkering ontving, maar daaruit kan niet worden opgemaakt dat appellant na afloop van deze uitkering een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend. De Detam heeft de Svb desgevraagd bij formulier van eind november 1995 bericht dat appellant arbeidsgeschikt is per einde wachttijd en bij formulier van 6 maart 1997 vermeld dat appellant na 1 oktober 1995 geen uitkering meer ontving. Appellant heeft geen gegevens ingebracht waaruit blijkt dat hij de Svb heeft geïnformeerd over een mogelijke toekomstige aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Eerst op 19 december 2008 heeft appellant de Svb bericht dat hem met terugwerkende kracht een WAO-uitkering is toegekend.

4.6.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep voor zover dat ziet op het besluit van 23 januari 2013 niet slaagt.

5.

Gelet op overweging 4.1 bestaat er aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

20 september 2011 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 januari 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) I.J. Penning

EH