Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-359 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage Zvw over 2006. Verdragsgerechtigde. Cvz heeft erkend dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn is overschreden. Anders dan namens appellant is betoogd, wordt aan de overschrijding van deze termijn niet de consequentie verbonden dat het besluit waarin de definitieve vaststelling is vervat daarmee onrechtmatig zou zijn. Bedoeld artikellid bevat geen verval- of verjaringstermijn bevat, nu de bevoegdheid van Cvz om de buitenlandbijdrage te heffen voortvloeit uit artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling slechts regels stelt over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Eventuele onduidelijkheid over de rechtspositie kan er niet toe leiden, dat geen buitenlandbijdrage mag worden opgelegd. Deze bijdrage is imperatief wettelijk verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/359 ZVW

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 december 2011, 10/3663 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012.
Appellant is niet verschenen. Cvz zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling.

De Raad heeft het onderzoek heropend en Cvz in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1941, woonde in 2006 in Duitsland. Hij ontving een wettelijk pensioen uit Nederland, een uitkering voor vervroegde uittreding. Met ingang van

1 september 2006 ontvangt appellant een pensioenuitkering.

1.2.

Ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in zijn woonland (Duitsland). Hiervoor is appellant ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2010 heeft Cvz appellant de definitieve jaarrekening over 2006 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 2.207,34.

1.4.

Bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft te kennen gegeven dat hij geen recht heeft op zorg in Nederland. Bovendien is appellant niet tijdig geïnformeerd dat de Zvw met ingang van 1 januari 2006 in werking is getreden. Door het pas vier jaar later definitief vaststellen van de buitenlandbijdrage heeft Cvz de verjaringstermijn overschreden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde van belang geen betaalde werkzaamheden (meer) verrichtte en uitsluitend uit Nederland een pensioen ontving. Daardoor heeft hij ingevolge artikel 28 van Vo 1408/71 recht op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Het feit dat appellant de Duitse nationaliteit heeft en in Duitsland woont, maakt niet dat artikel 28 van Vo 1408/71 niet van toepassing zou zijn. Dit betekent dat Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland en ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage mag inhouden op het pensioen van appellant.

4.2.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij Cvz aan. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd. Ingevolge het vierde lid is Cvz belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.

4.3.

In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zvw verschuldigde bijdrage, wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.

4.4.

Ingevolge artikel 6.3.2, eerste lid, van de Regeling wordt de in artikel 6.3.1 bedoelde bijdrage voor een in artikel 69, eerste lid, van de Zvw genoemde persoon die rechthebbende is op een pensioen of rente en voor zijn gezinsleden, door het orgaan dat het pensioen of rente uitkeert, op dat pensioen of die rente ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds afgedragen.

4.5.

In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat het College het verschil voor 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vaststelt, en het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt.

4.6.

Cvz heeft erkend dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn is overschreden. Anders dan namens appellant is betoogd, wordt aan de overschrijding van deze termijn niet de consequentie verbonden dat het besluit waarin de definitieve vaststelling is vervat daarmee onrechtmatig zou zijn. De Raad heeft al eerder geoordeeld (zie bijvoorbeeld CRvB 28 november 2012, LJN BY4824) dat bedoelde artikellid geen verval- of verjaringstermijn bevat, nu de bevoegdheid van Cvz om de buitenlandbijdrage te heffen voortvloeit uit artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling slechts regels stelt over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen.

4.7.

De beroepsgrond dat Cvz appellant niet heeft geïnformeerd over zijn rechtspositie treft evenmin doel. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad het ervoor houden dat het college appellant begin 2006 op enige wijze heeft geïnformeerd over de gevolgen van de inwerkingtreding van de Zvw. Appellant heeft vervolgens het Formulier Inkomensopgave ter uitvoering van de Zvw op 27 april 2006 ingevuld en aan Cvz geretourneerd. Indien dat vragen over zijn rechtspositie heeft opgeworpen, had het op de weg van appellant gelegen om daar informatie over in te winnen. Eventuele onduidelijkheid daarover kan er overigens niet toe leiden, dat geen buitenlandbijdrage mag worden opgelegd. Deze Raad wijst erop dat deze bijdrage imperatief wettelijk verschuldigd is.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) R.L. Rijnen

TM