Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-2397 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank volledig. In hoger beroep zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven voor een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2397 WIA

Datum uitspraak: 13 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

12 maart 2012, 10/1748 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 juli 2013 heeft de Raad afwijzend gereageerd op het verzoek van appellant van 26 juli 2013 tot oproeping van dr. R. Lunde als getuige.

De Raad heeft opeenvolgende verzoeken van appellant tot wraking van meerdere rechters afgewezen. Bij uitspraak van 8 mei 2013 (LJN BZ9815) heeft de Raad bepaald dat een volgend verzoek om wraking van een of meer van de behandelend rechters in deze hoger beroepszaak van appellant niet in behandeling zal worden genomen.

Het verzoek van appellant van 30 juli 2013 tot wraking van mr. J.W. Schuttel heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 mei 2013, bij brief van 1 augustus 2013 afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2013. Appellant is verschenen.

Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, zoals deze bekend zijn in verband met de aanvraag op 19 februari 2010 van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA), verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 25 februari 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juli 2010 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2010 en van

5 november 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 november 2010 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 25 februari 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij aangevoerd dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Hij is van mening dat de sarcoïdose waaraan hij lijdt nog steeds actief is en dat hij niet in staat is te werken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat een door de rechtbank te benoemen deskundige hem moet onderzoeken, uit welk onderzoek volgens appellant zou blijken dat hij ziek is en meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar de beperkingen van appellant. Niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat of onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. In ieder geval is de rechtbank niet gebleken dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor hem geldende beperkingen - werkzaamheden te verrichten. Aan de eigen beleving van appellant van zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken mag en kan de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toekennen. Uit de door appellant overgelegde informatie zijn naar het oordeel van de rechtbank geen medische beperkingen te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. De longklachten zijn, anders dan appellant heeft gesteld, wel meegenomen bij de beoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft verwezen naar het rapport van 26 oktober 2010 van de bezwaarverzekeringsarts onder punt 5 inzake “Beschouwing”. Daarin is vermeld dat de hyperventilatie als zodanig niet is meegenomen bij de beoordeling, omdat deze niet als een uiting van ziekte in engere medische zin kan worden aangemerkt, doch slechts als uiting van een aanpassingsstoornis door in dit geval levensvragen en psychosociale omstandigheden. Het betoog van appellant dat hij nog steeds klachten heeft ten gevolge van de in 2002 gediagnosticeerde sarcoïdose oftewel de ziekte van Besnier Boeck is naar het oordeel van de rechtbank niet met medische stukken onderbouwd. Uit de zich in het dossier bevindende medische informatie van verschillende artsen blijkt eenduidig dat de sarcoïdose niet langer actief en stabiel, doch in regressie is sinds 2008. De rechtbank heeft hiertoe verwezen naar de medische verklaring van 6 oktober 2008 van dr. W.R. Pieters, longarts bij het Elkerliek ziekenhuis te Helmond, de brief van 8 juni 2010 van longarts dr. R. Lunde, werkzaam bij het Laurentius ziekenhuis te Roermond, en de brief van 2 november 2010 van drs. G.J. de Vries, longarts bij het Orbis Medisch Centrum te Sittard.

2.2.

De rechtbank heeft het verzoek van appellant om een van de twee door hem genoemde deskundigen in te schakelen afgewezen. Redengevend daartoe is door de rechtbank geacht dat appellant op geen enkele wijze heeft aangetoond of zelfs aannemelijk heeft gemaakt dat de door zijn longartsen gestelde diagnoses onjuist zijn. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 februari 2004, LJN AO5188) die luidt dat de bestuursrechter slechts een medische deskundige moet inschakelen bij twijfel aan de vastgestelde beperkingen. Van dergelijke twijfel is in dit geval geen sprake. De artsen die appellant onderzocht hebben bevestigen alleen maar het standpunt van het Uwv dat de sarcoïdose niet meer actief is. Het benoemen van een deskundige is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de orde.

2.3.

De rechtbank heeft de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming geacht met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen eisen.

3.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden en de gronden beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat hij ziek is doordat hij lijdt aan sarcoïdose en dat hij hierdoor niet kan werken. Hij heeft de Raad verzocht longarts Lunde voor de zitting op te roepen teneinde te getuigen over de ernst van zijn longproblemen. Ten slotte heeft appellant verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat hem ten onrechte geen WIA-uitkering is toegekend.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank volledig. In hoger beroep zijn geen objectieve medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven voor een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant. Evenals de rechtbank ziet de Raad voorts geen aanleiding de door appellant genoemde deskundige ter advisering op te roepen, noch ziet de Raad aanleiding voor raadpleging van een onafhankelijk medisch deskundige.

4.2.

Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Tevens dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

4.3.

Voor een proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) D.E.P.M. Bary

HD