Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-5551 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:518
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing het verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/5551 AOW

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, 10/5347

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012.

De Svb heeft een reactie op dit verzoek om herziening ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juni 2013, waar verzoeker is verschenen en de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.

Bij zijn uitspraak van 17 augustus 2012 heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 september 2010, 09/5362, bevestigd. De Raad heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 1 mei 1998, waarbij aan appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend waarop een korting van 2% is toegepast, geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Voorts heeft de Raad, kort samengevat, geoordeeld dat het inkomen dat appellant uit België ontvangt, aangemerkt moet worden als een ouderdomsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid. Appellant was in de periode van 29 december 1957 tot 27 januari 1959 verzekerd voor de Belgische wettelijke regeling inzake ouderdomspensioen en niet verzekerd voor de AOW.

3.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat de korting op zijn pensioen ten onrechte is toegepast, omdat hij gedurende 51 jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Vanaf zijn 14e verjaardag is verzoeker onderworpen geweest aan de loonbelasting en op grond van de overgangsregeling bij de invoering van de AOW was hij ook dat jaar verzekerd. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij gedurende de periode dat hij in België werkzaamheden heeft verricht eveneens verzekerd was voor de AOW.

4.1.

Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 7 september 2010, LJN BN7879) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. De stelling dat verzoeker op grond van de overgangsregeling bij de invoering van de AOW vanaf zijn 14e verjaardag verzekerd was, is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als omschreven onder 1, reeds omdat niet is gebleken dat verzoeker dit argument niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voorts is in de uitspraak van de Raad waarvan herziening wordt gevraagd al inhoudelijk ingegaan op de vraag of verzoeker verzekerd was gedurende de periode dat hij in België heeft gewerkt. Ook in dit verband heeft verzoeker geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren gebracht.

4.2.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) E. Heemsbergen

JvC