Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
11-871 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huishoudelijke verzorging. Zorgvuldig medisch onderzoek. Hieraan doet niet af dat de “Algemene rapportage” mede is gebaseerd op medische gegevens uit 2002 en 2005. De omvang van de verzorging is conform het beleid. Van onjuistheid of onredelijkheid van deze normtijden is niet gebleken. Geen bijzondere omstandigheden. Geen verplichting om te motiveren waarom op grond van de Wmo minder uren zorg worden toegekend dan eerder onder de AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/871 WMO

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 december 2010, 10/2941 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinҫ.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 5 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college gehandhaafd zijn besluit om aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorg voor 300 minuten per week toe te kennen ten behoeve van huishoudelijke verzorging.

2.1

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 5 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het besluit van het college berust op een op zorgvuldige wijze uitgevoerd medisch onderzoek.

2.2.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend uitgangspunt juist is dat kant en klare (magnetron) maaltijden en het gebruik maken van boodschappenservice voorliggende voorzieningen zijn. De rechtbank heeft in dit kader nog overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van vorenbedoelde voorzieningen geen gebruik kan maken.

2.3.

De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat geen sprake is van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 4.1. van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek bedoeld in 2.1 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat het advies is uitgebracht op basis van gegevens uit 2002 en 2005, terwijl sprake is van een beoordeling in 2010.

3.2.

Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat haar medische situatie ernstiger is dan door het college is aangenomen.

3.3.

Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat zij eerder op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in aanmerking is gebracht voor huishoudelijke zorg voor 7 tot 9,9 uur per week. Naar de stelling van appellante heeft het college ten onrechte niet gemotiveerd waarom appellante thans minder hulp nodig heeft. Appellante acht het niet aannemelijk dat zij, nu zij lijdt aan een progressieve spierziekte, minder afhankelijk is van hulp.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

De rechtbank heeft op juiste wijze het wettelijk kader waarbinnen de aanvraag van appellante om huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo dient te worden bezien geschetst.

4.3.1.

De rechtbank is voorts met juistheid tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek.

4.3.2.

De resultaten van het onderzoek zijn op inzichtelijke en begrijpelijke wijze verwoord in de “Algemene rapportage” van Wmo-adviseur L. Boomkamp, gedateerd 18 januari 2010. In dit rapport zijn de aandoeningen en klachten van appellante vermeld per datum van het onderzoek en is vermeld in welke activiteiten appellante belemmerd is.

In de “Rapportage heroverweging Bezwaarschrift”, gedateerd 26 mei 2010 en uitgebracht door onder meer WMO-adviseur B. de Mos, is vermeld dat naar aanleiding van de bezwaren van appellante overleg heeft plaatsgevonden met medisch adviseur D. Thierens. In het rapport is vermeld tot welke resultaten dit overleg heeft geleid.

4.3.3.

De omstandigheid dat de “Algemene rapportage” mede is gebaseerd op medische gegevens uit 2002 en 2005 leidt niet tot het oordeel dat deze rapportage niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De medische gegevens waarnaar is verwezen hebben betrekking op ten opzichte van 2005 niet gewijzigde klachten.

4.4.

Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd volgt niet dat de gezondheidssituatie van appellante niet juist is vastgesteld. Een verklaring afkomstig van een medicus die een ander licht op haar gezondheidssituatie zoals die is weergegeven in de “Algemene rapportage” werpt, heeft appellante niet overgelegd. Daarbij komt dat appellante naar in de “Algemene rapportage” is vermeld niet onder medisch specialistische behandeling is. Dat sprake is van incontinentie of zweten in een mate die ernstiger is dan waar rekening mee is gehouden, heeft appellante niet met een medische verklaring onderbouwd. De verklaring van de directrice van Instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele Geneeswijze Spirituele Dans kan niet leiden tot het oordeel dat de medische situatie van appellante niet juist is vastgesteld, omdat deze directrice geen medicus is.

4.5.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt ter zake van de gevolgen van haar progressieve spierziekte volgt de Raad niet. Enig aanknopingspunt dat appellante aan een progressieve spierziekte lijdt is niet aanwezig. Voor zover appellante doelt op de bij haar geconstateerde fibromyalgie - een ziekte die niet als spierziekte bekend staat - is daarmee rekening gehouden.

4.6.

De door appellante ingebrachte verklaringen van C. Daalman en S. Braafhart, die beiden huishoudelijke hulp verlenen aan appellante, leiden de Raad niet tot het oordeel dat appellante te kort is gedaan met de haar toegekende zorg. Dit is reeds het geval omdat in deze verklaringen ervan wordt uitgegaan dat appellante - anders dan in de medische adviezen is geconcludeerd - zelf tot vrijwel niets in staat is. Overigens is de “Algemene rapportage” tot stand gekomen nadat Boomkamp informatie had ingewonnen bij Daalman.

4.7.

Het door appellante ingenomen standpunt dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom op grond van de Wmo minder uren zorg worden toegekend dan zij had onder de AWBZ treft geen doel. Zulk een verplichting vloeit noch uit de Wmo, noch uit de Algemene wet bestuursrecht voort. Het college heeft zijn besluit tot toekenning van huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo terecht gemotiveerd op basis van hetgeen in en krachtens de Wmo is bepaald.

4.8.

Het college heeft bij de vaststelling van de omvang van de verzorging gehandeld conform de normtijden zoals neergelegd in de Beleidsregels Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam. Van onjuistheid of onredelijkheid van deze normtijden is de Raad op basis van hetgeen appellante heeft aangevoerd niet gebleken. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze regels zou moeten worden afgeweken is de Raad evenmin gebleken.

5.1.

Het hoger beroep van appellante treft gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.8 geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.R. Schuurman

TM