Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
11-6492 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 17 december 2009 om appellante per 1 juni 2010, conform het ontslagbesluit, ontslag te verlenen. Er moet worden aangenomen dat appellante zich bewust was van hetgeen zij ondertekende. Het lag op haar weg om bij haar gemachtigde te verifiëren of daadwerkelijk een akkoord was bereikt. Het college heeft op goede gronden aan appellante per 1 juni 2010 het ontslag verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6492 AW

Datum uitspraak: 12 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

19 september 2011, 10/866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Bossen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H. Boelens, advocaat, en C.M. Eeken.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was werkzaam als financieel beleidsmedewerker bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. In verband met een reorganisatie is haar functie per 31 december 2007 opgeheven. Bij besluit van 21 december 2007 is zij, met ingang van 1 januari 2008, bovenformatief geplaatst in de functie financieel adviseur A. Volgens de Sociale Leidraad van de gemeente Hoogezand-Sappemeer hebben de werkgever en de bovenformatief geplaatste werknemer de inspanningsverplichting om zich gedurende een overeen te komen periode in te zetten om te komen tot een herplaatsing binnen de gemeentelijke organisatie of zo mogelijk op een externe functie. In dit kader zijn in de maanden januari en februari 2008 gesprekken met appellante gevoerd en is een plan van aanpak vastgesteld en door partijen ondertekend.

1.2.

Tijdens een gesprek op 31 maart 2008 tussen appellante en haar leidinggevende is gesproken over een mogelijk te treffen ontslagregeling. In een brief van 9 april 2008 heeft de leidinggevende bevestigd dat het college bereid is tot het treffen van een regeling, die ertoe zou moeten strekken dat appellante op termijn om ontslag verzoekt, wordt vrijgesteld van werkzaamheden en het ontslagverzoek niet hoeft te vervroegen als zij eerder dan op de overeen te komen ontslagdatum een andere baan zou vinden.

1.3.

Na verzending van de brief van 9 april 2008 is aan appellante een aanbod tot detachering bij de gemeente Winschoten gedaan, dit voor de periode van 1 september 2008 tot 1 januari 2010. Er is een concept-vaststellingsovereenkomst opgemaakt, strekkende tot regeling van het ontslag van appellante, met inachtneming van bedoelde detachering. Bij brief van 24 juni 2008 heeft de toenmalige gemachtigde van appellante voorstellen tot aanpassing van de overeenkomst gedaan. Dat heeft, naar op 30 juni 2008 aan de gemachtigde is meegedeeld, tot een aantal aanpassingen in de concept-overeenkomst geleid. De aldus aangepaste overeenkomst is op 14 juli 2008 ondertekend door appellante en, namens het college, door haar leidinggevende. Volgens de overeenkomst zal appellante, afhankelijk van het al dan niet uitdienen tot ten minste 1 oktober 2009 van de overeen te komen detachering, per 1 januari 2010 of per 1 juni 2010 om ontslag verzoeken en tot aan de ontslagdatum haar bezoldiging blijven ontvangen, ook als zij tussentijds ander werk vindt. Op 20 augustus 2008 is een detacheringsovereenkomst tot stand gekomen tussen appellante, het college en de gemeente Winschoten, strekkende tot de detachering van appellante bij de genoemde gemeente van

1 september 2008 tot 1 januari 2010.

1.4.

Bij brief van 17 november 2009 heeft de leidinggevende van appellante aan appellante verzocht om een keuze te maken tussen de ontslagdata 1 januari 2010 en 1 juni 2010 en over te gaan tot indiening van een ontslagverzoek overeenkomstig die keuze. Appellante is uitgenodigd voor een exit-gesprek op 30 november 2009, waarbij zij tevens haar ontslagverzoek zou kunnen overhandigen. Zij heeft per e-mail aangegeven verhinderd te zijn. Op 30 november 2009 is haar een uitnodiging voor een gesprek op 4 december 2009 toegezonden. Ook naar aanleiding hiervan heeft appellante via e-mail laten weten niet te zullen komen. Zij heeft daarbij laten weten het college nog een brief te zullen schrijven. Uiteindelijk heeft op 14 december 2009 alsnog een gesprek plaatsgevonden, waarin de leidinggevende het verzoek van 17 november 2009 heeft toegelicht. Vervolgens heeft het college appellante op 17 december 2009 ontslag verleend per 1 juni 2010, dit omdat, aldus het ontslagbesluit, appellante tijdens het genoemde gesprek nog twijfelde over de keuze en nog geen uitsluitsel kon geven.

1.5.

Appellante heeft tegen het besluit van 17 december 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad overweegt het volgende.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 november 2008, LJN BG5003) moeten afspraken over de beëindiging van een ambtelijk dienstverband worden aangemerkt als een nadere regeling van de aan de werkgever toekomende ontslagbevoegdheid. In dit geval zijn appellante en haar werkgever ontslag op verzoek overeengekomen met ingang van ofwel

1 januari 2010, ofwel 1 juni 2010. Aan het gegeven dat appellante heeft nagelaten om vervolgens een ontslagverzoek per een van die data in te dienen, kan niet die betekenis worden gehecht die appellante daaraan gehecht wil zien. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 7 mei 2009, LJN BI3906 en TAR 2009, 151) impliceert de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst al de aanwezigheid van een ontslagverzoek. Nu appellante haar detachering heeft uitgediend, is daarbij de ingangsdatum 1 juni 2010 aan de orde. Dat, zoals appellante verder heeft aangevoerd, het overeengekomen ontslag op verzoek een voorwaardelijk karakter zou dragen en enkel aan de orde zou zijn in geval van aanvaarding van ander werk, is op geen enkele wijze uit de tekst van de overeenkomst af te leiden en ook niet anderszins gebleken.

3.2.

Een ontslagverzoek moet, eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 juli 2008, LJN BD9294), tot een in vrijheid genomen beslissing kunnen worden herleid. Wanneer betrokkene onder druk van de omstandigheden waarborgen en rechten prijsgeeft, dient de werkgever zich ervan te vergewissen dat de betrokkene zich ten volle bewust is van zijn (rechts)positie, van de gevolgen van zijn ontslagname en van eventuele alternatieven, en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad tot een afgewogen beslissing te komen.

3.2.1.

De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat in dit geval niet aan de zojuist beschreven voorwaarden is voldaan. Appellante kan worden nagegeven dat het beter was geweest als, voorafgaand aan de uitnodiging aan haar om tot het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst over te gaan, bij haar gemachtigde was geverifieerd of daadwerkelijk een akkoord was bereikt. Deze had immers namens appellante met de werkgever onderhandeld. Daar staat tegenover dat uit de desbetreffende correspondentie valt af te leiden dat ten tijde van de ondertekening geen verschilpunten meer resteerden. In zijn brief van 24 juni 2008 heeft de gemachtigde zich daarbij expliciet bewust getoond van de eventuele nadelige consequenties voor appellante van de te maken afspraken. Er is bovendien onvoldoende reden naar voren gekomen tot twijfel aan de verklaring van het college dat appellante bij gelegenheid van de ondertekening van de overeenkomst nog eens uitleg is verschaft over aard en inhoud daarvan. Dat appellante zich bewust was van hetgeen zij ondertekende wordt bevestigd door het gegeven dat zij zich er in haar contacten met de werkgever, naar aanleiding van de brief van 17 november 2009, kennelijk niet op heeft beroepen dat aan die ondertekening enig wilsgebrek ten grondslag heeft gelegen.

3.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en

G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD