Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-2201 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college aan appellante over de periode van 1 april 2008 tot en met maart 2009 een overgangstoelage toegekend van 75% van de toeslag en over de periode van maart 2009 tot en met maart 2010 van 50% van de over 2006 uitbetaalde toeslag. Bij besluit van 7 maart 2011 heeft het college bepaald dat de afbouwtoelage van appellante met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2011 komt te vervallen op grond van artikel 6 van de - lokale - Regeling overgangstoelage bij het wegvallen-verminderen van toeslagen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gedaan. Het college heeft terecht beslist dat de afbouwtoelage van appellante met terugwerkende kracht komt te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2201 AW

Datum uitspraak: 12 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2012, 11/4666 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vijlbrief-van der Schaft. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is als algemeen medewerker APV en bijzondere wetten werkzaam bij de gemeente Hilversum. Tot 1 oktober 2008 vervulde zij de functie van juridisch administratief medewerker. Naast deze functie verrichtte zij piketdiensten in het kader van de inbewaringstelling (IBS). Daarvoor ontving zij een toeslag op haar salaris. Als gevolg van digitalisering van de procedure is de piketdienst IBS per 1 januari 2008 vervallen. Appellante heeft de toeslag tot 1 april 2008 ontvangen.

1.2. Bij besluit van 23 april 2008 (toekenningsbesluit) heeft het college aan appellante over de periode van 1 april 2008 tot en met maart 2009 een overgangstoelage toegekend van 75% van de toeslag en over de periode van maart 2009 tot en met maart 2010 van 50% van de over 2006 uitbetaalde toeslag. Het college heeft daarbij onder meer meegedeeld dat men ingevolge de bestaande Regeling overgangstoelage bij het wegvallen van toeslagen voor geleidelijke afbouw van het bedrag van de toeslag in aanmerking komt als de bezoldiging een blijvende verlaging ondergaat van ten minste 3% en de toeslag onmiddellijk voorafgaande aan de beëindiging gedurende vijf jaar zonder wezenlijke onderbreking is ontvangen. Appellante heeft recht op de toelage omdat zij aan deze criteria voldoet. Aangezien appellante in maart 2010 60 jaar wordt, zal de toelage gefixeerd worden op 50% en vindt geen verdere afbouw plaats.

1.3. Bij besluit van 22 december 2010 heeft het college het salaris van appellante met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2010 vastgesteld op bruto € 3.217,- (schaal 9, trede 9 conform de salarisschalen van juni 2008). Het college heeft daarbij meegedeeld dat de functie van appellante opnieuw is beschreven en dat die wijziging geen gevolgen heeft voor haar aanstellingsuren en rechtspositie.

1.4. Bij besluit van 7 maart 2011 heeft het college bepaald dat de afbouwtoelage van appellante met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2011 komt te vervallen op grond van artikel 6 van de - lokale - Regeling overgangstoelage bij het wegvallen-verminderen van toeslagen (Regeling). Bij besluit van 21 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2011 in zoverre gegrond verklaard dat de beëindiging van de overgangstoelage ingaat op 1 april 2011.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft op de eerste plaats betoogd dat de toelage die zij vanaf april 2008 ontving niet is gebaseerd op de Regeling, maar een op maat gemaakte afbouwregeling is, waarbij slechts aansluiting is gezocht bij de Regeling. Voor deze opvatting bieden de gedingstukken echter geen steun. De tekst van het toekenningsbesluit en de duur en omvang van de bij dat besluit toegekende toelage wijzen er juist op dat de Regeling op appellante is toegepast wegens het wegvallen van de toeslag piketdienst IBS. De verklaring van collega B, die appellante in hoger beroep heeft ingebracht, is ontoereikend om het tegendeel aan te nemen.

4.2.

De Regeling is gebaseerd op de artikelen 3:1 en 3:8:0:2 van het Arbeidsvoorwaardenreglement (ARH). Er is geen aanknopingspunt voor de door appellante geuite twijfel of de Regeling bevoegd is vastgesteld en is gepubliceerd. Daarbij is van belang dat het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet bevoegd was het ARH vast te stellen en dat het college in november 2004 akkoord is gegaan met de wijziging van het ARH, waarbij de verwijzing in artikel 3:8:0:2 naar de Regeling met ingang van 6 januari 2005 in het ARH is opgenomen. De Regeling is ook op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4.3.

De piketdienst IBS hield in dat appellante thuis bereikbaar moest zijn en zich beschikbaar moest houden om, bijvoorbeeld op een politiebureau, administratieve werkzaamheden te verrichten in verband met een inbewaringstelling. Naast de toeslag ontving zij salaris over de daadwerkelijk gewerkte uren. De rechtbank heeft in navolging van het college de piketdienst IBS terecht aangemerkt als een wachtdienst als bedoeld in artikel 15:1:10, tweede lid, aanhef en onder c van de ARH, zodat de vergoeding voor deze dienst een toeslag is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling. Bij de beoordeling van de aard van de piketdienst heeft de rechtbank terecht de inhoud daarvan in ogenschouw genomen en geen gewicht toegekend aan het feit dat het de vrije keuze van appellante was om zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van piketdiensten IBS.

4.4.

Appellante heeft verder bepleit dat artikel 6 van de Regeling onverbindend wordt verklaard, althans buiten toepassing wordt gelaten. Onder verwijzing naar de toelichting bij de Regeling stelt zij dat de doelstelling van de Regeling is het bieden van een compensatie voor de weggevallen toeslagen wegens het buiten toedoen beëindigen van een vergoeding voor het verrichten van onregelmatige diensten. Deze toelage is volgens appellante blijvend en gefixeerd bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd op grond van de garantieregeling van artikel 4 van de Regeling. Anders dan appellante heeft betoogd, is de afbouwtoelage bedoeld om het wegvallen of verminderen van een toeslag als bedoeld in de Regeling te compenseren door deze in stappen af te bouwen naar nihil. De toelage beoogt dus de terugval in het inkomen te verzachten die optreedt door het wegvallen van de toeslag. Artikel 6 van de Regeling bevat een voorschrift voor het geval het inkomen na toekenning van de toelage door een salarisverhoging stijgt en de noodzaak om de inkomensterugval op te vangen geheel of ten dele wegvalt. Deze bepaling is in overeenstemming met het doel van de Regeling.

4.5.

Hetgeen onder 4.4 is overwogen geldt ook wanneer, zoals in het geval van appellante, de hoogte van de toelage wegens het bereiken van de 60-jarige leeftijd niet verder wordt afgebouwd, maar wordt gefixeerd. Ook dan is een verhoging van het salaris van invloed op de hoogte van de uit te keren toelage. De opvatting van appellante dat de Regeling, althans artikel 6, onredelijk is, wordt niet gevolgd. Dat in artikel 6 niet met zoveel woorden is vermeld dat ook de gefixeerde toelage wordt verminderd bij een salarisverhoging, maakt dat niet anders. Het begrip overgangstoelage ziet immers op alle overgangstoelagen die op grond van de Regeling zijn toegekend. Hieruit volgt tevens dat artikel 4 geen garantie biedt in die zin dat de gefixeerde toelage niet wordt aangetast door de kortingsbepaling van artikel 6. Artikel 7 heeft betrekking op de vraag welke bestanddelen van de bezoldiging voor de toepassing van de hoofdstukken 9, 10 en 11 van de ARH worden aangemerkt als bezoldiging. Ook daaraan kan geen argument worden ontleend voor de stelling van appellante dat artikel 6 niet van toepassing is op een gefixeerde overgangstoelage.

4.6.

Hoewel de zinsnede ‘naar evenredigheid’ in artikel 6 van de Regeling duidelijker had gekund, lijdt het geen twijfel dat daarmee is bedoeld dat in geval van een verhoging van het salaris met een bepaald bedrag, de toelage met hetzelfde bedrag wordt verminderd. Nu het salaris van appellante is verhoogd, en het niet gaat om een algemene salarisverhoging, is sprake van een salarisverhoging als bedoeld in artikel 6 van de Regeling. Dat die salarisverhoging niet in de Bezoldigingsverordening van de gemeente Hilversum wordt genoemd en het gevolg is van herwaardering van haar functie leidt niet tot een ander oordeel.

4.7.

Anders dan appellante heeft gesteld, is het bestreden besluit niet in strijd met het toekenningsbesluit. Dat besluit heeft namelijk uitsluitend gevolgen voor het recht op toelage en het percentage en de afbouw daarvan en vermeldt niets over de gevolgen van een eventuele latere salarisverhoging. De uitspraak van de Raad van 16 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9807, biedt evenmin steun voor de opvatting van appellante dat in haar aanspraken op een afbouwtoelage geen wijziging mag worden gebracht. In die uitspraak is namelijk geen oordeel gegeven over daadwerkelijke rechtspositionele aanspraken. Uit het besluit van 22 december 2010 is wel af te leiden dat de gewijzigde functiebeschrijving geen rechtsgevolgen heeft, maar niet dat de salarisverhoging die daarvan het gevolg is geen effect zal hebben op de hoogte van eerder aan appellante verleende toelagen.

4.8.

Er is evenmin grond om een opzegtermijn in acht te nemen. Als gevolg van het toekenningsbesluit heeft appellante na het vervallen van de piketdiensten een toelage ter hoogte van 75% respectievelijk 50% van de toeslag ontvangen, die bij ongewijzigde omstandigheden tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd zou zijn voortgezet. Door die toelage per een in de toekomst gelegen datum te beëindigen omdat het salaris van appellante met ingang van 1 april 2010 is verhoogd met een hoger bedrag dan de toelage, heeft het college niet in strijd met de rechtszekerheid gehandeld.

4.9.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Zij stelt dat het college, zo nodig op verzoek van de rechtbank, helderheid had moeten geven over de vraag of sprake is van gelijke gevallen die een gelijke behandeling rechtvaardigen. Die visie wordt niet gedeeld. Degene die zich beroept op schending van het gelijkheidsbeginsel dient op basis van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat er een begin van aannemelijkheid is dat gelijk te achten gevallen ten onrechte ongelijk zijn behandeld. Appellante heeft geen enkel gegeven verschaft waaruit kan worden afgeleid dat bij de gemeente Hilversum ambtenaren werkzaam zijn die ondanks een salarisverhoging hun (gefixeerde) toelage hebben behouden.

4.10.

Al hetgeen onder 4.1 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.J. van de Griend en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

IJ