Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-3229 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is ten eerste in geschil of de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 7 mei 2010 is toegenomen door dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan hij een WAO-uitkering ontving. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 7 mei 2010 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan appellant een WAO-uitkering ontving. Een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 39a van de WAO was derhalve niet aan de orde. Ten tweede heeft het Uwv, zonder dat daarvoor enigerlei basis was, een beoordelingsmoment op 29 november 2010 geconstrueerd en de heeft rechtbank, ondanks hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd, verzuimd dit te onderkennen en hierover een oordeel te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3229 WAO

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

23 april 2012, 11/786 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben hierna nogmaals stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 12/6102 ZW en 12/6546 ZW, plaatsgevonden op 31 juli 2013. Namens appellant is mr. Mertens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst. De Raad doet heden in de zaken 12/6102 ZW en 12/6546 ZW afzonderlijk uitspraak.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is lange tijd werkzaam geweest als monteur luchtkanalen. Op 29 augustus 2001 is hij uitgevallen met rugklachten. Per einde wachttijd, 28 augustus 2002 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is zijn uitkering per 25 oktober 2005 herzien naar mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35%.

1.2. Op 8 februari 2010 is appellant, op basis van een jaarcontract, in dienst getreden van [werkgever].

1.3. Op 7 mei 2010 heeft appellant een melding gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met een toename van klachten van linker schouder en arm.

1.4. Appellant heeft bij [werkgever] aanvankelijk vooral re-integratieactiviteiten verricht. Vanaf eind juli 2010 heeft appellant 40 uur per week gewerkt in administratief werk.

Op 7 september 2010 heeft appellant zich ziek gemeld om op 8 september 2010 in Aken een schouderoperatie te ondergaan. Op 8 februari 2011 is het contract met [werkgever] geëindigd en vanaf die datum heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) van het Uwv ontvangen. Op de beëindiging van deze uitkering per 4 juli 2011 hebben de onder het procesverloop genoemde zaken 12/6102 ZW en 12/6546 ZW betrekking.

1.5. Bij besluit van 6 januari 2011 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant op 7 mei 2010 wel toegenomen arbeidsongeschikt was, maar na het einde van de verkorte wachttijd op 4 juni 2010 niet meer. Aan dit besluit heeft het Uwv rapporten ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts van

15 november 2010 en een arbeidsdeskundige van 14 december 2010.

1.6. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 29 november 2010 is toegenomen, maar dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een verkorte wachttijd, omdat 29 november 2010 niet ligt binnen vijf jaar na toekenning of herziening van de uitkering.

1.7. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.8. Bij besluit van 5 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar (de Raad leest dit als: de bezwaren tegen beide besluiten) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 31 maart 2011 ten grondslag gelegd. Onder verwijzing naar dit rapport heeft het Uwv in het bestreden besluit gesteld dat een verkorte wachttijd niet aan de orde is omdat weliswaar sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar deze toename voortvloeit uit een andere oorzaak.

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gezien de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, niet anders worden geconcludeerd dan dat de toename van arbeidsongeschiktheid kennelijk voortkomt uit een andere oorzaak.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv toepassing had moeten geven aan artikel 39a van de WAO. Het Uwv had moeten aannemen dat sprake was van een verkorte wachttijd in verband met een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de herziening per 25 oktober 2005. Appellant heeft erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het Uwv, indien het zich op het standpunt stelt dat sprake is van een andere oorzaak, dit standpunt zodanig moet onderbouwen dat de juistheid hiervan buiten iedere twijfel staat. Het Uwv is hierin volgens appellant niet geslaagd. Reeds het gegeven dat de verzekeringsarts tot de conclusie is gekomen dat wel sprake was van dezelfde oorzaak, maakt dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake was van dezelfde oorzaak niet boven iedere twijfel is verheven. Voorts is in de visie van appellant sprake van een verboden reformatio in peius nu aanvankelijk op basis van het rapport van de verzekeringsarts is uitgegaan van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak en dit standpunt later op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts teruggenomen is. Waar de in het besluit van 7 januari 2011 genoemde datum 29 november 2010 vandaan komt heeft appellant niet begrepen. Appellant heeft hier ook in beroep al kanttekeningen bij gemaakt en de rechtbank is daar in het geheel niet op ingegaan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 7 mei 2010 is toegenomen door dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan hij een WAO-uitkering ontving.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat de schouderklachten van appellant die hij op 7 mei 2010 had, voortkwamen uit een bursitis (slijmbeursontsteking) en impingement in verband waarmee hij op 8 september 2010 in Aken is geopereerd.

4.3.

Bij de laatste WAO-beoordeling voor 7 mei 2010, de herbeoordeling in 2005, zijn, zoals blijkt uit het rapport van een verzekeringsarts van 28 september 2005 dat aan die beoordeling ten grondslag is gelegd, als diagnoses gesteld chronische aspecifieke rugpijn, allergie voor glas- en steenwol, een cervicobrachiaal syndroom links en een epicondylitis lateralis (tenniselleboog) links. In verband hiermee zijn beperkingen aangenomen als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum.

4.4.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 15 november 2010 de bestaande klachten in generieke termen benoemd als multipele klachten van de linker schoudergordel. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat appellant zich op 7 mei 2010 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld met al langer bestaande klachten van de linkerschouder, waaraan hij uiteindelijk op

8 september 2010 is geopereerd en waarbij een ontstoken slijmbeurs is verwijderd en adhesiolyse en decompressie zijn toegepast. Op basis hiervan heeft hij geconcludeerd tot dezelfde ziekteoorzaak als in het verleden.

4.5.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 31 maart 2011 de bestaande klachten, voor zover hier van belang, in overeenstemming met het in 4.3 genoemde rapport van 28 september 2005, omschreven als een cervicobrachiaal syndroom en daarnaast aandacht besteed aan een thoracic outlet syndroom, een vaatcompressie syndroom vanuit de thorax, waarvan eerder sprake was geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft op uitvoerige en naar het oordeel van de Raad inzichtelijke en overtuigende wijze uiteengezet dat een bursitis en een impingement syndroom iets geheel anders zijn dan een cervicobrachiaal syndroom en eerder veronderstelde vaatproblemen en dat er tussen de bursitis en het impingementsyndroom enerzijds en het cervicobrachiaal syndroom en die vaatproblemen anderzijds geen causaal verband bestaat. Op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad geen ruimte voor twijfel aan juistheid van de conclusie dat het gaat om verschillende oorzaken. Dat de verzekeringsarts in zijn rapport van

15 november 2010 tot een andere conclusie is gekomen maakt dit niet anders, nu dit verschil is te verklaren vanuit zijn meer generieke - en naar het oordeel van de Raad onvoldoende op ziekteoorzaak toegesneden - benadering van de bestaande klachten.

4.6.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een verboden reformatio in peius niet aan de orde is, nu het Uwv zijn standpunt na de heroverweging in bezwaar weliswaar inhoudelijk heeft gewijzigd, maar appellant onveranderd ingedeeld is gebleven in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

4.7.

Hetgeen in 4.1. tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 7 mei 2010 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan appellant een

WAO-uitkering ontving. Een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 39a van de WAO was derhalve niet aan de orde. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank zijn derhalve voor zover zij zien op de beoordeling van de situatie op 7 mei 2010 juist.

4.8.

De Raad stelt vast dat het Uwv zich niet heeft beperkt tot een beoordeling van de situatie op 7 mei 2010, maar daarnaast in een afzonderlijk besluit van 7 januari 2011 ook een oordeel heeft gegeven over de situatie op 29 november 2010. Uit de eerste alinea van het bestreden besluit, waarin het besluit van 6 januari 2011, dat ziet op de situatie op 7 mei 2010, en het besluit van 7 januari 2011 beide worden genoemd kan niet anders worden afgeleid dan dat het Uwv met het bestreden besluit moet worden geacht te hebben beslist op de bezwaren tegen beide besluiten.

4.9.

Appellant heeft er in beroep duidelijk blijk van gegeven zich met de beoordeling van de situatie op beide data, om uiteenlopende redenen, niet te kunnen verenigen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geen aandacht besteed aan de beoordeling van de situatie op 29 november 2010. Appellant heeft in hoger beroep dan ook terecht aangevoerd dat de rechtbank in die zin onvolledig is geweest. Appellant heeft voorts terecht aangevoerd dat door hem niet gevraagd is om een beoordeling van zijn situatie op 29 november 2010 en dat voor een dergelijke beoordeling ook overigens geen enkele basis te vinden is in de stukken. Het Uwv heeft voor deze datum verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van

14 december 2010, waarin onder 2.2.3 wordt vermeld dat appellant zich op 29 november 2010 heeft ziek gemeld. Een stuk waaruit deze ziekmelding blijkt bevindt zich echter niet onder de stukken. Uit in de zaak 12/6102 ZW overgelegde overzichten van [werkgever] blijkt dat appellant op 13 juli 2010 (een dag) ziek is geweest en dat hij zich vervolgens, zoals in 1.4 vermeld, op

7 september 2010 ziek heeft gemeld in verband met de operatie daags daarna. Van 1 tot en met 21 november 2011 is sprake geweest van een proefhervatting, waarna appellant niet meer heeft gewerkt.

4.10.

Hetgeen in 4.8 en 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv zonder dat daarvoor enigerlei basis was een beoordelingsmoment op 29 november 2010 heeft geconstrueerd en dat de rechtbank, ondanks hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd, heeft verzuimd dit te onderkennen en hierover een oordeel te geven.

5.

Gelet op de in 4.7 en 4.10 neergelegde conclusies dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd voor zover deze ziet op de beoordeling van de situatie op 7 mei 2010 als neergelegd in het besluit van 6 januari 2011. De aangevallen uitspraak dient vernietigd te worden voor zover deze ziet op de beoordeling van de situatie op 29 november 2010 als neergelegd in het besluit van 7 januari 2011. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2011 gegrond verklaren, dat deel van het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 7 januari 2011 herroepen. Uit het voorgaande vloeit voort dat geen aanleiding bestaat voor een schadevergoeding.

6.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep, in totaal € 2.832,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het besluit van

5 april 2011 met betrekking tot het besluit van 6 januari 2011;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het besluit van

5 april 2011 met betrekking tot het besluit van 7 januari 2011;

- herroept het besluit van 7 januari 2011;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 156,- vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans

HD