Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1733

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-2781 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant onderzocht en hem weer in staat geacht de aan de Wet WIA-schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In dit geding staat de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op 19 september 2011 zodanig was dat hij (weer) in staat was ten minste één van de geselecteerde functies te vervullen. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en hebben op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen met ingang van 19 september 2011 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2781 ZW

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 april 2012, 11/6003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wolter en het Uwv door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 15 juni 2009 afgewezen, omdat appellant op die dag minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en beroep is dit besluit in rechte vast te komen staan bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2011, LJN BP9362.

1.2. Appellant heeft zich op 6 september 2010 vanwege toegenomen klachten ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, waarna hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is verstrekt.

1.3. Op 13 september 2011 heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant onderzocht en hem per 19 september 2011 weer in staat geacht de aan de Wet WIA-schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Bij besluit van 13 september 2011 is appellant met ingang van 19 september 2011 verdere uitkering op grond van de ZW ontzegd.

1.4. Bij besluit van 10 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 25 oktober 2011, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de uitkomsten van het medische onderzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat van de kant van appellant geen medische informatie is overgelegd die een ander licht werpt op zijn belastbaarheid of tot twijfel kan leiden aan de vaststelling daarvan door het Uwv.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn aanhoudende lichamelijke gezondheidsklachten op en na de datum in geding volledig arbeidsongeschikt is geweest. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant gewezen op het rapport van 29 oktober 2009 van de internist D.W.M. Verhagen, die hem op verzoek van het Uwv in het kader van de Wet WIA-beoordeling heeft onderzocht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In dit geding staat de vraag centraal of de belastbaarheid van appellant op 19 september 2011 zodanig was dat hij (weer) in staat was ten minste één van de geselecteerde functies te vervullen. De door appellant aangevoerde gronden die zien op de weigering van een Wet WIA-uitkering met ingang van 15 juni 2009 en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek gaan de omvang van het onderhavige geding te buiten.

4.3.

Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de lichamelijke klachten van appellant ten tijde in geding. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en hebben op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen met ingang van 19 september 2011 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.4.

De voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder de medische informatie waarop door appellant beroep is gedaan, biedt geen grond voor een andersluidend oordeel. Op dezelfde gronden als in de uitspraak van de Raad van 25 maart 2011, LJN BP9362, is overwogen, kan aan het rapport van de internist D.W.M. Verhagen van 29 oktober 2009 niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien.

4.5.

Naar aanleiding van de door appellant tijdens de procedure nader ingebrachte opmerkingen heeft een bewaarverzekeringsarts bij rapport van 28 juni 2012 adequaat gemotiveerd geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om deze conclusie voor onjuist te houden.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) H.J. Dekker

JvC