Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-4462 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er zijn onvoldoende functies om de arbeidsongeschiktheidsschatting per 7 augustus 2011 op te baseren zodat het bestreden besluit om de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per die datum te herzien in strijd komt met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4462 WAO

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 juni 2012, 11/3825 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [Woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2013. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen
mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 12 november 2003 uit haar werkzaamheden van verkoopster uitgevallen vanwege klachten van fibromyalgie. Na uitspraak van de Raad van 6 maart 2009 (07/4094 WAO) is haar met ingang van 16 maart 2005 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij primaire besluiten van 16 november 2010 is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 maart 2007 herzien en vastgesteld op 80 tot 100%, en is deze met ingang van 17 januari 2011 opnieuw herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Aan deze laatste herziening ligt, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, het standpunt ten grondslag dat appellante in staat wordt geacht met passende werkzaamheden een inkomen te verdienen waardoor een mate van arbeidsongeschiktheid van 26% resteert, leidend tot indeling in genoemde arbeidsongeschiktheidsklasse.

1.3. Bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 17 januari 2011 gegrond verklaard, de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum gehandhaafd op 80 tot 100% en met ingang van 7 augustus 2011 de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 25 tot 35%. Aan dat besluit ligt nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. Daarbij zijn door de bezwaarverzekeringsarts extra beperkingen gesteld die zijn verwerkt in de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 april 2011. Voorts zijn nieuwe voorbeeldfuncties geselecteerd die voor appellante geschikt worden geacht en waarbij een verlies aan verdiencapaciteit ontstaat van ruim 32%.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit met betrekking tot het gehanteerde dagloon en de herziening van de

WAO-uitkering met ingang van 7 augustus 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante lijdt aan een moeilijk objectiveerbare aandoening, en dat haar subjectief beleefde belemmeringen niet steeds kunnen worden geobjectiveerd. De nader door appellante ingebrachte medische informatie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten geboden om zich niet te verenigen met de aan de beslissing ten grondslag liggende medische beoordeling. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige naar aanleiding van de bezwaren tegen de geduide functies na nader overleg met de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd dat de (nieuw) geduide functies passend zijn. De rechtbank heeft aan het in haar ogen onjuiste dagloon vanwege de wel correcte uitbetaling geen gevolgen verbonden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar medische beperkingen zijn onderschat en de geduide functies haar belastbaarheid te boven gaan. Gelet op de informatie van de huisarts is er meer aan de hand dan fibromyalgie. Een urenbeperking is zeker aan de orde. Verder vindt zij het onjuist dat de functie van schadecorrespondent na een eerdere gemotiveerde verwerping opnieuw is geduid. Voorts wordt volgens haar in genoemde functie en in de functie assemblagemedewerker het belastingpunt deadlines/productiepieken overschreden en is ook de geduide functie van wikkelaar niet passend.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de beroepsgronden nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ingezonden, waarin is herhaald dat de verschillende klachten in de beoordeling zijn betrokken en de functies onverkort geschikt worden geacht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten aanzien van het bij de uitkering gehanteerde dagloon is het Uwv blijkens een mededeling in het verweerschrift en nadere mededeling ter zitting van de Raad volledig aan appellante tegemoet gekomen zodat daarover geen geschil meer aanwezig is.

4.2.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad aanvullend dat in het rapport van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 20 oktober 2011 gemotiveerd en overtuigend is gereageerd op de door appellante met verwijzing naar de informatie van de huisarts genoemde medische klachten. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft aanvullend op 4 oktober 2012 nogmaals gemotiveerd toegelicht dat met de verschillende klachten en aandoeningen in de FML rekening is gehouden. Voorts is niet met medische gegevens onderbouwd dat appellante zou zijn aangewezen op een urenbeperking.

4.3.1.

Met betrekking tot het in hoger beroep ingenomen standpunt dat ook de uiteindelijk geduide voorbeeldfuncties voor appellante niet geschikt zijn is de Raad, anders dan de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat de geschiktheid van de functie schadecorrespondent, nr 8211-0079-001, SBC-code 516080 op onvoldoende grondslag berust. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

In het verzekeringsgeneeskundig rapport van 8 juni 2010 is appellante, gelet op de aandoeningen overige gewrichtsklachten, fibromyalgie en spanningsklachten beperkt geacht ten aanzien van stresserende en conflicterende functie-eisen. Grote tijdsdruk moet vermeden worden. Dit medisch oordeel is, met aanscherping van enkele beperkingen in de FML, in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 28 april 2011 overgenomen. In de FML van 28 april 2011 is dit verwoord met de vermelding dat appellante is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken.

4.3.3.

Bij de in de functie schadecorrespondent voorkomende belasting op het aspect deadlines/productiepieken is sprake van een kenmerkende belasting, waarbij als toelichting door de arbeidsdeskundig analist is vermeld: “Bij zgn eindejaarswerk (periode eind oktober - begin februari)”.

4.3.4.

In de arbeidskundige onderbouwing bij functieduiding in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van 6 juni 2011 is als functiespecifieke toelichting bij de functie schadecorrespondent vermeld:

“Deadlines of productiepieken worden gesignaleerd wanneer ze minstens eenmaal per week voorkomen. Ze zijn niet aan de orde wanneer langer kan worden doorgewerkt. In deze functie is er sprake van deadlines en productiepieken bij het eindejaarswerk, dit loopt ongeveer van eind oktober tot begin februari en bedraagt een hogere belasting van 3 maanden per jaar. De belasting komt niet het hele jaar voor. In overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan dit worden toegestaan aangezien er sprake is van een bepaalde periode en de mogelijkheid bestaat om langer door te werken om iets tijdig af te krijgen.”

4.3.5.

Naar aanleiding van het in beroep bij de rechtbank gemaakte bezwaar tegen de functie schadecorrespondent vanwege de aanwezigheid van productiepieken, waarbij appellante erop heeft gewezen dat de functie eerder als niet passend was vervallen, heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 30 augustus 2011 gesteld dat de functie opnieuw is bekeken nadat een andere functie binnen de Sbc code niet passend was gebleken. In overleg met de bezwaarverzekeringsarts is de functie passend geacht omdat er gedurende een bepaalde periode sprake is van deadlines en productiepieken en deze kunnen worden beperkt door langer door te werken om tijdig iets af te krijgen.

4.4.

Zoals in de uitspraken van de Raad van 23 februari 2007 (ECL:NL:CRVB:2007:AZ9157) en van 1 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1177) is overwogen, moet bij het duiden van functies met alles wat er in de verzekeringsgeneeskundige rapporten en op de FML staat vermeld, inclusief alle daarop voorkomende toelichtingen rekening worden gehouden. Voor het onderhavige geval betekent dit dat appellante onder meer beperkt is voor deadlines, productiepieken en werkdruk. De geduide functie toetsend aan deze medische beperkingen kan, gelet op de in 4.3.3 en 4.3.4 verwoorde belastende factoren gedurende een zo lange piekperiode van meer dan drie maanden, niet als passend worden aangemerkt zodat deze niet voor de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante had mogen worden gebruikt.

4.5.

De Raad stelt vast dat met het vervallen van de functie schadecorrespondent niet langer wordt voldaan aan het in het Schattingsbesluit neergelegde vereiste dat ten minste drie verschillende functies aan het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag liggen. Uit met name het arbeidskundig rapport van 30 augustus 2011 leidt de Raad af dat eerder voor appellante geselecteerde functies alle als zijnde (toch) niet passend zijn verworpen en uiteindelijk de geduide functies als basis voor het bestreden besluit resteerden. Dit is door het Uwv ter zitting bevestigd. Dit leidt tot de conclusie dat, nu ook een van die resterende functies niet passend is, ervan moet worden uitgegaan dat er onvoldoende functies zijn om de arbeidsongeschiktheidsschatting per 7 augustus 2011 op te baseren zodat het bestreden besluit om de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per die datum te herzien in strijd komt met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hoger beroep slaagt. Het bestreden besluit voor zover daarbij de WAO-uitkering per 7 augustus 2011 is herzien alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen die herziening ongegrond is verklaard, dienen te worden vernietigd. De overige gronden in hoger beroep kunnen onbesproken blijven.

5.1.

Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de bruto-uitkeringsbedragen die appellante vanaf 7 augustus 2011 ten onrechte zijn onthouden komt voor inwilliging in aanmerking, met inachtneming van de vaste rechtspraak van de Raad dat voor berekening van de (rente)schade zoveel mogelijk aangesloten wordt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht, zoals bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 22 september 1995, (ECL:NL:HR:1995:ZF1824).

5.2.

De Raad acht voorts termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor de procedure bij de rechtbank begroot op € 1180,- voor verleende rechtsbijstand, € 37,54 wegens ingebrachte medische informatie, en € 7,82 voor reiskosten, en voor de procedure in hoger beroep op € 472,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juni 2011, voor zover daarbij de

WAO-uitkering met ingang van 7 augustus 2011 is herzien, gegrond en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 5.1 van deze uitspraak vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten, in beroep tot een bedrag van € 1225,36 en in hoger beroep tot een bedrag van € 472,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans

EH