Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-4305 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:3218, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante weer geschikt wordt geacht voor één of meer van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4305 ZW

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 juni 2012, 11/5221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 22 juli 2013 nadere medische stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2013. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster. Op

1 oktober 2007 is zij uitgevallen met klachten van de nek, schouders, armen en beide polsen. Met ingang van het einde van de wachttijd, 28 september 2009, is voor appellante geen recht ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het desbetreffende besluit is met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2010 (10/318) in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Op 28 februari 2011 heeft appellante zich vanuit de situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met pijnklachten na een breuk van de linker pols. Zij heeft naar aanleiding hiervan een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 6 september 2011 is de ZW-uitkering van appellante met ingang van 12 september 2011 beëindigd omdat appellante per die datum weer geschikt wordt geacht voor één of meer van de in het kader van de Wet WIA geduide functies.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van

6 september 2011 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om het verzekeringskundige onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in haar uitspraak aandacht besteed aan de door appellante in beroep overgelegde medische informatie.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat. Het is een aantal jaren beter gegaan met appellante maar nu is zij ‘op’.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de eerste twee alinea’s van overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv terecht als maatstaf arbeid ten minste één van de laatstelijk in het kader van de Wet WIA geduide functies heeft aangemerkt.

4.2.

Appellante heeft in essentie in hoger beroep haar ook in beroep ingenomen standpunten herhaald. De rechtbank is uitvoerig op de door appellante ingebrachte gronden ingegaan en heeft haar oordeel op inzichtelijke en afdoende wijze gemotiveerd. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank volledig. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van orthopedisch chirurg dr. C.H. Geerdink dateert van een jaar na de datum in geding. Uit deze informatie blijkt dat de MRI-scans van de linker schouder en de cervicale wervelkolom geen afwijkingen laten zien die de klachten van appellante kunnen verklaren. Ook de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 24 oktober 2011 werpt geen nieuw licht op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding.

4.3.

Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D. Heeremans

EH