Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-3238 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant beëindigd op de grond dat appellant weer geschikt was voor (ten minste) één van de hem geduide functies. In dit geding staat centraal de vraag of de belastbaarheid van appellant op 13 juni 2011 zodanig was dat hij in staat was tenminste één van de in het kader van de WAO voor hem geselecteerde functies te verrichten. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is om het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Met de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant weer geschikt was voor (één van) de functies die zijn geselecteerd in het kader van de WAO. Het Uwv heeft op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 13 juni 2011 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3238 ZW

Datum uitspraak: 11 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 mei 2012, 11/945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2013. Appellant en Eshuis zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.

Met ingang van 31 augustus 2005 is de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.

Bij een heronderzoek op 16 februari 2011 is gebleken dat appellant met ingang van

1 oktober 2009 toegenomen arbeidsongeschikt was vanwege een andere aandoening dan waarvoor hem een WAO-uitkering is toegekend. Daarom heeft het Uwv bij besluit van

17 februari 2011 geweigerd de WAO-uitkering van appellant te verhogen. Aan appellant is met ingang van 1 oktober 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 juni 2011 beëindigd op de grond dat appellant weer geschikt was voor (ten minste) één van de hem geduide functies. Bij besluit van 25 juli 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2011 ongegrond verklaard.

3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht onderzocht of appellant geschikt was voor ten minste één van de functies die hem in het kader van de WAO-beoordeling zijn voorgehouden. De rechtbank heeft in wat van de zijde van appellant is aangevoerd geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellant vanaf 13 juni 2011 in ieder geval geschikt was voor de functie van heftruckchauffeur expeditie en hij vanaf die datum niet meer in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering.

4.

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat het Uwv geen actuele informatie heeft ingewonnen. Daardoor is voorbijgegaan aan de psychische klachten van appellant. Appellant heeft verder betoogd dat zijn lichamelijke klachten door het Uwv zijn onderschat en dat deze hem beletten de functie van heftruckchauffeur expeditie te vervullen. De beschrijving van de functie zou niet overeenkomen met de praktijk. Appellant heeft nog nadere informatie van zijn huisarts ingebracht.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

5.2.

In dit geding staat centraal de vraag of de belastbaarheid van appellant op 13 juni 2011 zodanig was dat hij in staat was tenminste één van de in het kader van de WAO voor hem geselecteerde functies te verrichten.

5.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is om het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie van de orthopedisch chirurg en de huisarts bij zijn onderzoek heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van depressieve klachten mogelijk arbeidsbeperkingen ondervindt en hij heeft de belastbaarheid van appellant in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op

11 juli 2011 aangepast. Dat daarmee op onvoldoende wijze rekening is gehouden met de psychische beperkingen van appellant is niet aannemelijk gemaakt. Met de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant weer geschikt was voor (een van) de functies die zijn geselecteerd in het kader van de WAO, te weten de functie heftruckchauffeur expeditie

(SBC-code 282112).

5.4.

Ten aanzien van de stelling van appellant, dat hij de functie van heftruckchauffeur expeditie niet zou kunnen vervullen in verband met het voorkomen van schokken, stoten en botsen, wordt overwogen dat uit de functiebelasting op grond van het CBBS niet valt af te leiden dat daarvan in deze functie sprake is. Benadrukt wordt verder dat binnen het kader van een schatting, gelet op het theoretische karakter ervan, geen plaats is voor een concrete en daadwerkelijke invulling van een op de functie toegesneden (rand)voorwaarde zoals de aanwezigheid van een hydraulisch verstelbare stoel. Doorslaggevend is of de

(bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende overtuigend heeft duidelijk gemaakt dat de kenmerkende belasting de belastbaarheid van appellant niet overtreft. Daarin is de arbeidsdeskundige in deze zaak geslaagd.

5.5.

Het Uwv heeft op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 13 juni 2011 beëindigd. Er is dan ook geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen zoals door appellant ter zitting is verzocht.

5.6.

Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) H.J. Dekker

JL