Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-4531 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op bijstand. Appellant heeft langer dan de toegestane periode van vier weken buiten Nederland verblijf gehouden. Geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4531 WWB

Datum uitspraak: 10 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2012, 12/1333 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Manen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2013.

Voor appellant is verschenen mr. J.J. Weldam, advocaat, opvolgend raadsman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 19 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 14 juni 2011 heeft appellant gemeld dat hij van 6 juli tot en met 6 augustus 2011 op vakantie naar het buitenland gaat. Appellant is op

6 juli 2011 Marokko ingereisd. Appellant stelt direct na aankomst in Tanger zijn verblijfsvergunning te zijn kwijtgeraakt. Op 17 augustus 2011 heeft hij bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Rabat een reisvisum aangevraagd. Dat visum is op 22 augustus 2011 afgegeven. Op 7 september 2011 is appellant Marokko uitgereisd.

1.2.

Bij besluit van 23 september 2011 heeft het college bepaald dat appellant over de periode van 4 augustus 2011 tot 8 september 2011 geen recht op bijstand heeft op de grond dat hij een aaneengesloten periode van langer dan vier weken buiten Nederland verblijf heeft gehouden.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is de motivering in die zin aangevuld, dat het college geen aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen over de periode van 4 augustus 2011 tot

8 september 2011, omdat niet gebleken is dat zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Kort samengevat komt het betoog van appellant erop neer dat het verlies van zijn verblijfsdocument en de omstandigheid dat hij niet eerder dan op 17 augustus 2011 een afspraak kon maken met de vertegenwoordiging van Nederland in Rabat, ten onrechte niet als zeer dringende redenen zijn aangemerkt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.3.

Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB doen zich voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

4.4.

Vaststaat dat appellant langer dan de toegestane periode van vier weken buiten Nederland verblijf heeft gehouden. Niet in geschil is dat appellant daarom in de te beoordelen periode van 4 augustus 2011 tot 8 september 2011 geen recht op bijstand had. Slechts in geschil is of appellant desondanks recht had op bijstand op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.5.

In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen zeer dringende redenen als bedoeld in

artikel 16, eerste lid, van de WWB gelegen op grond waarvan het college over de te beoordelen periode bijstand had moeten verlenen. Van een acute noodsituatie, als nader uitgewerkt in de rechtspraak, is niet gebleken. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in die periode in behoeftige omstandigheden verkeerde.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7.

Nu het bestreden besluit in stand blijft, dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD