Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
12-2430 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/2430 WWB

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

22 maart 2012, 11/6880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, zich voor appellante gesteld en een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Voor appellante is verschenen mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 8 februari 2011 heeft appellante zich gemeld voor een aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij woont in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats], dat ze daarvoor geen huur is verschuldigd maar wel bijdraagt in andere woonkosten, dat zij het huis schoon houdt en huisdieren verzorgt, dat zij € 305,- netto per maand verdient met schoonmaakwerkzaamheden en dat zij een zoon heeft die bij haar ouders in de Filippijnen woont en door haar ouders wordt verzorgd. In een brief van 18 maart 2011 heeft appellante het college bericht dat zij de tweede verdieping van de woning aan de [adres 1] bewoont en dat haar ex-partner,[naam ex-partner], als hij in Nederland is gebruik maakt van de begane grond en eerste verdieping van die woning en dat [naam ex-partner] officieel in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2.

De Afdeling Werk en Welzijn van de gemeente Purmerend heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader zijn onder meer kadastrale gegevens en de GBA geraadpleegd. Hieruit is naar voren gekomen dat de woning aan de [adres 2] sinds 16 juni 2010 te koop staat, dat er sinds 11 januari 2000 in de GBA verschillende personen op dat adres staan ingeschreven, dat de woning aan de [adres 1] eigendom is van[naam dochter], de dochter van [naam ex-partner], en dat [naam ex-partner] een zakelijk recht van gebruik en bewoning van die woning heeft. Voorts zijn elementen van financiële verstrengeling van appellante met [naam ex-partner] naar voren gekomen. Op 19 april 2011 heeft appellante nog schriftelijk verklaard dat [naam ex-partner] op de [adres 1] te [woonplaats] woont sinds de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] te koop staat, en dat[naam dochter], de eigenaresse van die woning, op een ander adres woont.

1.3.

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellante met [naam ex-partner].

1.4.

Bij besluit van 15 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van

19 april 2011 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt, kort samengevat, het standpunt van het college dat ten tijde van haar aanvraag moet worden aangenomen dat zij met [naam ex-partner] een gezamenlijke huishouding voerde.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 8 februari 2011, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 19 april 2011, de datum van het besluit waarbij de aanvraag is afgewezen.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van die woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.5.

Op grond van de in 1.1 en 1.2 weergegeven feiten en omstandigheden, moet worden aangenomen dat [naam ex-partner], als hij in Nederland was, samen met appellante woonde in de woning [adres 1] te [woonplaats]. Ter zitting van de Raad is gebleken dat [naam ex-partner] niet beschikte over eigen (vaste) woonruimte in het buitenland. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor het standpunt dat [naam ex-partner] tijdens de periode hier in geding feitelijk gebruik maakte van de woning op het adres waarop hij in de GBA van [woonplaats] stond ingeschreven. Aan de in hoger beroep nog overgelegde afschriften van bladzijden uit het paspoort van [naam ex-partner] komt, tegen de achtergrond van het voorgaande, voor de beantwoording van de vraag waar hij zijn hoofdverblijf in Nederland had onvoldoende betekenis toe. Aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.7.

In de hier te beoordelen periode was sprake van een financiële verstrengeling tussen appellante en [naam ex-partner], die verder ging dan het uitsluitend delen van de woonlasten. Dat blijkt uit de door appellante overgelegde bankafschriften, uit de door de Belastingdienst aan het college verstrekte inlichtingen en uit de inlichtingen die appellante zelf heeft verstrekt, zowel in het kader van haar aanvraag als in de loop van deze procedure. Zo werden vergoedingen ten behoeve van het kind van appellante, waaronder de kinderbijslag en een kindgebonden budget, door de uitkerende instanties overgemaakt naar de bankrekening van [naam ex-partner]. [naam ex-partner] gaf een deel van de ontvangen gelden door aan appellante en maakte voorts bedragen over naar de op de Filippijnen woonachtige moeder van appellante. De zorgpremie voor appellante werd, via zijn bankrekening, door [naam ex-partner] betaald. [naam ex-partner] ontving de mede voor appellante bestemde zorgtoeslag. Daarnaast was sprake van zorgverlening van appellante jegens [naam ex-partner], zoals het doen van zijn was, de schoonmaak van het huis en het verzorgen van huisdieren. Aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is eveneens voldaan.

4.8.

De rechtbank heeft het college dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat de aanvraag van appellante om bijstand diende te worden afgewezen op de grond dat zij ten tijde hier van belang met [naam ex-partner] een gezamenlijke huishouding voerde. Dat daarvan, zoals appellante nog naar voren heeft gebracht, nadien geen sprake meer was, met name omdat de financiële verstrengeling tussen haar en [naam ex-partner] gaandeweg ongedaan is gemaakt, is voor de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag om bijstand niet van belang.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

EH