Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
11-4374 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor vergoeding van onder meer de eigen bijdragen in de kosten van rechtsbijstand in twaalf gerechtelijke procedures. Aanvragen zijn niet ingediend binnen de daarvoor in het gemeentelijke beleid gestelde termijn van twee weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4374 WWB

Datum uitspraak: 10 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2011, 11/751 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2013. Namens appellant is verschenen mr. Weldam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Namens appellant is bij brief van 21 september 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor vergoeding van onder meer de eigen bijdragen in de kosten van rechtsbijstand in twaalf gerechtelijke procedures. De toevoegingen in deze zaken zijn verleend in de periode van 9 december 2009 tot en met 3 augustus 2010.

1.3. Bij besluit van 29 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant de overgelegde toevoegingen niet heeft ingediend binnen de daarvoor in het gemeentelijke beleid, neergelegd in

paragraaf 2.57 van het Handboek SoZaWe (Handboek), gestelde termijn van twee weken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een aanvraag om bijzondere bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend en de aanvraagdatum in beginsel bepalend is voor een eventueel recht op bijstand. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 december 2007, LJN BC2066, vastgesteld dat het hier toegepaste beleid buitenwettelijk begunstigend beleid betreft en dat dit betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard en alleen wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. De rechtbank is van oordeel dat het college in overeenstemming met het beleid heeft gehandeld. Een redelijke uitleg van paragraaf 2.57 van het Handboek brengt, volgens de rechtbank, met zich mee dat de aanvraag moet worden ingediend op het vroegste moment van de twee momenten bedoeld in de paragraaf. Nu vaststaat dat appellant zijn aanvraag niet binnen twee weken na afgifte van de toevoeging heeft ingediend, heeft het college in overeenstemming met het beleid gehandeld door de aanvraag af te wijzen op de grond dat deze niet tijdig is ingediend.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant zijn aanvraag om bijzondere bijstand had moeten indienen binnen twee weken na afgifte van de toevoeging en dat ten onrechte wordt aangenomen dat het college buitenwettelijk begunstigend beleid hanteert. Volgens appellant is het door het college gevoerde beleid niet redelijk en dient het niet als begunstigend maar eerder als beperkend te worden aangemerkt. Het moment waarop de aanvrager kosten maakt of verschuldigd is, is het moment waarop de advocaat een declaratie zendt. De advocaat dient daarbij de vrijheid te hebben om de declaratie te sturen wanneer hem dat belieft, of hij een voorschot vraagt of de nota achteraf in rekening brengt. Hij kan immers het beste inschatten of de eigen bijdrage verschuldigd zal zijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd en waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak is ingegaan. De Raad verenigt zich met hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen en maakt de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog toe dat, gelet op de uitspraak waarnaar de rechtbank heeft verwezen, aan beantwoording van de vraag of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, niet kan worden toegekomen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD