Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
16-09-2013
Zaaknummer
12-657 WWB-G
Formele relaties
Oorspronkelijke uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9627
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2013:1500 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9627.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/657 WWB gerectificeerde uitspraak

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 januari 2012, 10/429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. Tunnissen, advocaat, en mr. E.M. Kampman.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 6 december 2004 een woning in de gemeente [naam gemeente] (woning) gekocht voor € 121.500,--. Het college heeft appellante met ingang van 1 januari 2005 bijstand verleend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij twee afzonderlijke besluiten van 12 juli 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 januari 2006, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 ingetrokken, onderscheidenlijk de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 7.570,81. In het terugvorderingsbesluit is opgenomen dat appellante het teruggevorderde bedrag binnen vier weken aan het college dient over te maken en dat indien zij niet tijdig betaalt, de gemeente zal overgaan tot het treffen van executiemaatregelen.

1.2.

Op verzoek van de gemeente Coevorden heeft een deurwaarder op 20 maart 2006 aan appellante de grosse van het terugvorderingsbesluit betekend, met het bevel om binnen twee dagen het teruggevorderde bedrag, de rente daarover en de kosten van betekening te betalen tot een bedrag van in totaal € 7.844,17. Daarbij is vermeld dat bij niet-tijdige voldoening aan dit bevel zal worden overgegaan tot inbeslagneming en verkoop van de roerende en onroerende zaken van appellante. Op 11 april 2006 heeft een deurwaarder op verzoek van de gemeente [woonplaats]executoriaal beslag gelegd op de woning.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het college appellante met ingang van 13 april 2006 bijstand verleend op grond van de WWB.

1.4.

Bij uitspraak van 11 september 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen het beroep tegen het besluit van 2 januari 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2006, LJN AZ4505, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de uitspraak van 11 september 2006 vernietigd en, voor zover van belang, de besluiten van 12 juli 2005 herroepen.

1.5.

Bij brief van 23 januari 2007 heeft de toenmalige gemachtigde van appellante de gemeente [woonplaats]aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten van 12 juli 2005. De gemachtigde heeft er daarbij op gewezen dat als gevolg van de beslaglegging de hypotheekverstrekker aanleiding heeft gezien de executie over te nemen en dat de woning van appellante, ter voorkoming van executoriale verkoop daarvan, tegen haar wil onderhands is verkocht. De woning van appellante is op

30 november 2006 verkocht voor € 129.000,--.

1.6.

Het college heeft in 2007 de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 12 april 2006 aan appellante nabetaald, inclusief het door haar terugbetaalde bedrag van € 7.570,81, en de wettelijke rente over het nabetaalde bedrag vergoed tot een bedrag van

€ 1.455,45. Voorts heeft het college appellante bij besluit van 5 juli 2007 medegedeeld dat zij mede als gevolg van de terugvordering de woning heeft moeten verkopen en dat de daarmee verband houdende en bijkomende kosten worden vergoed. Daarnaast ontvangt appellante nog een compensatie voor misgelopen zorgtoeslag als gevolg van de nabetaling. Het totale bedrag dat aan appellante wordt vergoed bedraagt € 13.413,99.

1.7.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij verzocht om vergoeding van materiële schade in de vorm van gederfde verkoopopbrengst van de woning, fiscale schade als gevolg van de nabetaling van de bijstand en inkomensschade. Ook heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten die verband houden met de - als gevolg van de intrekking van de bijstand - onrechtmatige inschrijving in het ziekenfonds en van haar niet gedekte ziektekosten. Voorts heeft appellante verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij heeft geleden door de onrechtmatige besluiten van 12 juli 2005 en de daarmee samenhangende executie van het terugvorderingsbesluit.

1.8.

Naar aanleiding van een verzoek van appellante om haar volledig te ontheffen van haar arbeidsverplichtingen heeft Psychologisch Adviesbureau Heller B.V. (Heller) in augustus en september 2008 een medisch en psychologisch onderzoek verricht bij appellante. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport van 15 september 2008 staat onder meer dat appellante, opgeleid tot directiesecretaresse, in het kader van haar re-integratie van april 2007 tot april 2008 - na twaalf jaar niet te hebben gewerkt - full time bij een notariskantoor werkzaam is geweest, maar dat dit eerder tot een toename dan een afname van haar klachten heeft geleid. Voorts staat in dit rapport, samengevat, het volgende. Appellante heeft momenteel structurele functionele beperkingen voor het verrichten van arbeid. Vanwege het psychische toestandsbeeld zijn er momenteel geen mogelijkheden voor haar om in reguliere arbeid te functioneren. In de toekomst is verbetering van de belastbaarheid te verwachten gezien de aard en het verloop van de stoornis. Om de belastbaarheid te verbeteren, is psychologische begeleiding geïndiceerd. Nadat herstel van de mogelijkheden is ingetreden, is appellante structureel functioneel belastbaar in arbeid.

1.9.

Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2009 beëindigd, omdat zij met ingang van die datum wordt aangemerkt “als economische eenheid met de heer J. Vriezema”.

1.10.

Het college en appellante hebben in onderling overleg De Jong & Laan Accountants (adviseur) een onafhankelijk onderzoek laten verrichten naar de daadwerkelijk geleden fiscale schade van appellante. De adviseur concludeert in het naar aanleiding van dat onderzoek uitgebrachte rapport van 9 april 2010 dat appellante fiscale schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.305,--, maar dat vergoeding daarvan weer effect zal hebben op de netto bijstandsuitkering van appellante, omdat de WWB uitgaat van een netto benadering.

1.11.

Bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2007 in zoverre gegrond verklaard dat een aantal schadeposten alsnog wordt vergoed - met wettelijke rente - tot een bedrag van in totaal € 3.626,11. Het gaat daarbij om de kosten die verband houden met de onrechtmatige inschrijving bij het ziekenfonds, de niet gedekte ziektekosten, de kosten van een ingeschakeld administratiekantoor en immateriële schade wegens gederfd woongenot. Voor deze laatste schadepost wordt een vergoeding van € 1.569,-- toegekend. De overige in bezwaar opgevoerde schadeposten heeft het college afgewezen. Daartoe heeft het college, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Ten aanzien van de gestelde gederfde verkoopopbrengst: de woning is verkocht voor een marktconform bedrag. Ten aanzien van de gestelde fiscale schade: door het handelen van het college is geen fiscaal nadeel ontstaan voor appellante. Indien de door het college betaalde loonheffing ook weer aan appellante wordt toegekend, moet het college dat bedrag vervolgens weer korten op de toegekende bijstand, aangezien in beginsel alle inkomsten die appellante ontvangt over de betreffende periode, gelet op artikel 31, eerste lid, van de WWB, moeten worden gekort op de verstrekte bijstand. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade: appellante heeft geen psychisch letsel overgehouden aan het handelen van het college en is nimmer dakloos geweest. Ten aanzien van de gestelde inkomensschade: appellante heeft niet aangetoond dat zij nooit meer in staat is deel te nemen aan het arbeidsproces.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Vaststaat dat het college op basis van het terugvorderingsbesluit van 12 juli 2005, waarbij een bedrag van € 7.570,81 van appellante is teruggevorderd, beslag op de woning heeft laten leggen. Voorts staat vast dat de hypotheekverstrekker het beslag heeft overgenomen en vervolgens de onderhandse verkoop van de woning heeft geïnitieerd. Ten slotte staat vast dat de bij de in 1.4 genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 19 december 2006 herroepen besluiten van 12 juli 2005 als onrechtmatig moeten worden aangemerkt.

Connexiteit

3.2.1.

Een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien deze schade beweerdelijk het gevolg is van een besluit, of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is.

3.2.2.

Appellante stelt schade te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten van 12 juli 2005, waarbij zij erop heeft gewezen dat deze besluiten hebben geleid tot beslaglegging op en, uiteindelijk, de gedwongen verkoop van de woning, met alle gevolgen van dien. Appellante heeft de beslaglegging zelf niet bestreden en evenmin aangevoerd dat er in de feitelijke uitoefening van die beslaglegging onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden. Aangezien de schade die appellante stelt te hebben geleden volgens haar het gevolg is van de onrechtmatige besluiten van 12 juli 2005 en tegen die besluiten bezwaar, beroep en hoger beroep bij de Raad openstond, is aan de in 3.2.1 opgenomen connexiteitseis voldaan.

Materiële schade: algemeen

3.3.1.

Het college heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat de beweerdelijk door appellante geleden materiële schade ziet op kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door de intrekking van de bijstand van appellante, dat, gelet op artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij aansluiting wordt gezocht, vergoeding voor vertragingsschade bestaat in de wettelijke rente en dat voor zelfstandige vergoeding van de beweerdelijk geleden materiële schade dan geen plaats is.

3.3.2.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 april 2009, LJN BI0588) zijn de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van bijstand in beginsel terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de bijstand, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Artikel 6:119 van het BW normeert de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

3.3.3.

De beweerdelijk door appellante geleden schade in de vorm van gederfde verkoopopbrengst van de woning en de beweerdelijk door haar geleden inkomensschade zijn niet terug te voeren op een tijdelijk gemis aan geld als gevolg van de intrekking of terugvordering van haar bijstand. Het gaat hier om vermogens- en inkomensschade die volgens appellante is veroorzaakt door beslaglegging op en executie van de woning. Immers, appellante stelt schade te hebben geleden als gevolg van het terugvorderingsbesluit, aangezien het heeft geleid tot beslaglegging op, en uiteindelijk de gedwongen verkoop van de woning. Hierdoor heeft appellante, naar zij stelt, een te lage verkoopprijs voor haar woning gekregen en voorts zodanige psychische klachten gekregen dat zij nooit meer kan werken. Fiscale schade ten gevolge van een nabetaling ineens valt volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 oktober 2002, LJN AF0902) buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom.

3.3.4.

Uit 3.3.3 volgt dat de beweerdelijk geleden materiële schade voor zelfstandige vergoeding in aanmerking kan komen.

3.3.5.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 april 2009, LJN BI3013) is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

Materiële schade: gederfde verkoopopbrengst

3.3.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de woning gedwongen heeft moeten verkopen, als gevolg waarvan de verkoopprijs € 25.000,-- lager is geweest dan wanneer zij de woning niet gedwongen had hoeven te verkopen.

3.3.7.

De beweerdelijk geleden schade van € 25.000,-- wegens gederfde verkoopopbrengst komt niet voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat appellante niet heeft aangetoond dat de woning feitelijk meer waard was dan de voor de woning gerealiseerde verkoopprijs van € 129.000,--. De WOZ-waarde van de woning van € 142.140,-- per peildatum 1 januari 2003, waarnaar appellante heeft verwezen, is in dit verband niet relevant, aangezien appellante de woning op 6 december 2004 heeft gekocht voor een aanzienlijk lager bedrag dan genoemde WOZ-waarde, te weten voor € 121.500,--. Dat de vraagprijs een stuk hoger lag dan de voor de woning gerealiseerde verkoopprijs, zoals appellante heeft gesteld, zegt niets over de waarde van de woning in het economisch verkeer. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheid dat zij voor een bedrag van € 5.726,84 heeft geïnvesteerd in de woning, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de woning meer waard was dan de gerealiseerde verkoopprijs. Immers, de som van de koopprijs van de woning en genoemd investeringsbedrag komt op een lager bedrag uit dan het bedrag van € 129.000,-- waarvoor appellante de woning heeft verkocht.

Materiële schade: fiscale schade

3.3.8.

Appellante heeft aangevoerd dat zij volgens het rapport van de adviseur van

9 april 2010 wel degelijk fiscale schade heeft geleden.

3.3.9.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 11 januari 2011, LJN BP2317), beloopt de fiscale schade in beginsel het (positieve) verschil tussen (a) de volgens de wettelijke bepalingen verschuldigde respectievelijk in werkelijkheid geheven belasting en (b) de belasting die verschuldigd zou zijn geweest, indien de periodieke betalingen van de bedragen die het college aan appellante verschuldigd was, en de belastingheffing over die periodieke betalingen, hadden plaatsgevonden in de jaren waarop de nabetaling betrekking heeft. Indien met instemming van de fiscale autoriteiten gebruik is of kan worden gemaakt van de middeling inzake nabetaalde inkomsten, wordt in plaats van het bedrag als bedoeld onder (b) de na toepassing van deze regeling verschuldigde belasting in aanmerking genomen (c). Voor een veroordeling tot vergoeding van deze belastingschade is een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, een voorwaarde.

3.3.10.

In dit geval heeft een deskundige - de adviseur - in opdracht van beide partijen een onderzoek verricht naar de door appellante geleden fiscale schade overeenkomstig de hiervoor genoemde uitgangspunten. Ook na te zijn geconfronteerd met de visie van het college dat de WWB uitgaat van nettobedragen, heeft de adviseur in zijn rapport van 9 april 2010 geconcludeerd dat appellante een fiscaal nadeel heeft geleden van € 4.923,--. De adviseur heeft hierbij aangetekend dat door middel van middeling nog een bedrag van € 618,-- kan worden teruggevorderd en dat daarmee het nadeel per saldo € 4.305,-- bedraagt.

3.3.11.

Vaststaat dat appellante als gevolg van de nabetaling van de bijstand in 2007 meer belasting heeft moeten betalen dan wanneer zij vanaf 1 juli 2005, de datum met ingang waarvan zij geen bijstand meer ontving, doorlopend bijstand zou hebben ontvangen. De door het college naar voren gebrachte omstandigheid dat de gemeente [woonplaats]de bijstand netto heeft nabetaald en de loonheffing over de aan appellante uitbetaalde bijstand voor haar rekening heeft genomen, doet er niet aan af dat appellante fiscale schade heeft geleden. De Raad ziet niet in dat, zoals het college stelt, deze omstandigheid meebrengt dat het vergoeden van fiscale schade leidt tot een herberekening van de bijstand over de periode van 1 juli 2005 tot en met 12 april 2006. Het college heeft het door de adviseur berekende bedrag van

€ 4.305,-- op zichzelf niet betwist, zodat de fiscale schade tot dat bedrag voor vergoeding in aanmerking komt.

3.3.12.

Uit 3.3.10 en 3.3.11 volgt dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen voor vergoeding komende fiscale schade heeft geleden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Materiële schade: inkomensschade

3.3.13.

Appellante heeft aangevoerd dat het rapport van Heller van 15 september 2008 het bestaan van inkomensschade niet uitsluit en dat bovendien de inschatting van Heller voor de lange termijn onjuist is. Hierbij wijst appellante erop dat uit een rapportage van psychiater

H.J. Stradmeijer (Stradmeijer) van 29 februari 2012 blijkt dat 3,5 jaar na het onderzoek van Heller de psychologische gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor appellante niet zijn afgenomen.

3.3.14.

Appellante heeft niet aangetoond dat de gestelde inkomensschade verband houdt met het onrechtmatige terugvorderingsbesluit van 12 juli 2005. Aannemelijk is dat de terugvordering, de beslaglegging op de woning en de gedwongen verkoop van de woning voor appellante belastend zijn geweest. De rapporten van Heller en Stradmeijer noch de overige beschikbare gegevens wijzen echter uit dat één en ander zodanige psychische klachten bij appellante heeft veroorzaakt, dat zij nooit meer zal kunnen werken en als gevolg daarvan inkomensverlies heeft geleden. Ook overigens heeft appellante niet aangetoond dat zij door het terugvorderingsbesluit van 12 juli 2005 inkomensverlies heeft geleden. Uit het rapport van Heller van 15 september 2008, waarin gegevens over haar arbeidsverleden zijn opgenomen, blijkt dat appellante op het moment waarop het terugvorderingsbesluit is genomen al twaalf jaar niet werkzaam was geweest. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat als dat besluit niet was genomen, appellante werkzaam zou zijn geweest op het niveau van directiesecretaresse.

Immateriële schade

3.4.1.

Ten aanzien van de beweerdelijk geleden immateriële schade heeft appellante aangevoerd dat zij is geraakt in haar huisrecht, omdat zij niet meer in de woning kon blijven wonen, wat een ongerechtvaardigde en ernstige inbreuk is op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vanwege deze inbreuk, die moet worden gekwalificeerd als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, dient bij wijze van ‘effective remedy’ als bedoeld in artikel 13 van het EVRM een passende schadevergoeding te worden toegekend.

3.4.2.

Voor zover aanleiding zou bestaan voor toekenning van een vergoeding voor de beweerdelijk geleden immateriële schade, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij met de door het college toegekende vergoeding van € 1.569,-- wegens gederfd woongenot tekort is gedaan. Of al dan niet sprake is van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM behoeft dan ook geen bespreking.

Conclusie

3.5.

Gelet op 3.3.12 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de fiscale schade. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van fiscale schade is afgewezen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat het college aan appellante de door haar geleden fiscale schade vergoedt tot een bedrag van € 4.305,-- en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Kostenvergoeding

4.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in bezwaar, € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 38,-- en € 39,40 voor gemaakte reiskosten in beroep onderscheidenlijk hoger beroep. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van de adviseur tot een bedrag van € 150,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de fiscale schade;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 mei 2010 voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van fiscale schade is afgewezen;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante de door haar geleden fiscale schade vergoedt tot een bedrag van € 4.305,-- en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 mei 2010;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.059,40, waarvan € 1.888,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 265,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

HD