Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
13-1148 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:810, (13-1148 WAO-R, 05-03-2014. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2013:2998 (13-1148 WAO-G, 04-09-2013). Onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1148 WAO, 13/2745 WAO

Datum uitspraak: 4 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 januari 2013, 11/509 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2013 heeft het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar genomen.

Appellant heeft zijn zienswijze op het gewijzigde besluit op bezwaar gegeven. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.A. Brauer, kantoorgenoot van mr. Dassen-Vranken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1 mei 2001 als uitvoerend medewerker klussen voor 36 uur per week in dienst geweest bij [naam Stichting]. Op

6 mei 2003 heeft hij zich ziek gemeld. Hij heeft zijn werkzaamheden voor[naam Stichting] nadien niet meer hervat.

1.2. Van 17 juni 2003 tot september 2003 is appellant onder behandeling geweest bij RIAGG Rijnmond. Daarna is hij niet meer op afspraken verschenen.

1.3. Op 3 april 2009 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die hij in 2004 zou hebben gedaan. Het Uwv heeft in zijn administratie echter geen aanvraag uit 2004 gevonden. Ook een brief van 6 januari 2009, waaraan appellant in zijn bezwaar van 3 april 2009 heeft gerefereerd, heeft het Uwv niet aangetroffen. Wel heeft het Uwv in zijn administratie een brief van 5 maart 2009 aangetroffen, met als bijlage een kopie van de brief van 6 januari 2009. Het Uwv heeft appellant naar aanleding hiervan een aanvraagformulier doen toekomen. Apellant heeft dit formulier ingevuld en ondertekend geretourneerd.

1.4. Bij besluit van 7 december 2009 heeft het Uwv de WAO-aanvraag van appellant afgewezen omdat niet aangetoond was dat hij van september 2003 tot datum einde wachttijd, 4 mei 2004, doorlopend arbeidsongeschikt was geweest.

1.5. Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het uitblijven van een besluit op de WAO-aanvraag van appellant gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 ongegrond verklaard.

1.6. Op 22 november 2010 heeft de rechtbank Maastricht het beroep tegen het besluit van

27 januari 2010 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen onvoldoende onderzocht en beargumenteerd te achten dat appellant de wachttijd niet volledig doorlopen had. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.7. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 22 november 2010 is een aanvullend onderzoek gedaan door een bezwaarverzekeringsarts. In zijn rapport van

9 februari 2011 is deze tot de conclusie gekomen dat de situatie van appellant op 4 mei 2004 gelijk te stellen was met zijn actuele situatie. In diagnostische zin was volgens hem geen sprake van een depressie. Hij heeft appellant op 4 mei 2004 met inachtneming van beperkingen ten aanzien van werkdruk en stress geschikt geacht voor passende arbeid. De beperkingen heeft hij neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. Op basis van deze FML zijn door een bezwaararbeidsdeskundige functies geduid. Uitgaande van deze functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellant gesteld op 0%.

1.8. In overeenstemming met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 14 februari 2011 (bestreden besluit 1) het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 opnieuw ongegrond verklaard, onder de overweging dat appellant op datum einde wachttijd, 4 mei 2004, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.9. Appellant heeft ook tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Op verzoek van de rechtbank hebben drs. F. Kornelis, psychiater in opleiding, en prof. dr. J.J. van Os, psychiater, appellant onderzocht en op 29 augustus 2012 schriftelijk van verslag en advies gediend. Op 19 november 2012 hebben zij een aanvullend rapport geschreven. De deskundigen hebben te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de situatie van appellant in 2004 vergelijkbaar was met de huidige situatie. Gelet op informatie van het RIAGG en hun bevindingen bij eigen onderzoek concluderen zij dat in 2004 sprake was van een depressieve episode. Diagnostisch kon volgens hen niet gesproken worden van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin. Wel achtten zij disfunctionele persoonlijkheidstrekken aanwezig, die zich uitten in dichotoom (“alles-of-niets”) denken, vermijding van stressoren en disfunctionele coping in de vorm van reactieve suïcidale neigingen. Naar de mening van de deskundigen was sprake van meer beperkingen dan door de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de FML van 9 februari 2011. De deskundigen hebben voor de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) een aangepaste FML opgesteld.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de bevindingen van de deskundigen, geconcludeerd dat bestreden besluit 1 ondeugdelijk is gemotiveerd. In verband hiermee heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente heeft de rechtbank afgewezen, omdat voorshands niet duidelijk was of het door het Uwv te nemen nieuwe besluit voor appellant tot schade zou leiden. Het verzoek van appellant hem een schadevergoeding toe te kennen wegens het overschrijden van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank (nog) geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.

3.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten, waarbij de door de deskundigen aangepaste FML voor de rubrieken 1 en 2 als uitgangspunt is genomen. In zijn rapport van 4 februari 2013 met aangepaste FML voor de rubrieken 1 en 2 heeft de bezwaarverzekeringsarts de door de deskundigen genoemde beperkingen overgenomen en daaraan zelf nog een specifieke voorwaarde voor het sociaal functioneren in arbeid toegevoegd, namelijk dat appellant aangewezen is op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden. Uitgaande van de aldus aangepaste FML heeft een bezwaararbeidsdeskundige op 18 maart 2013 gerapporteerd. Zij heeft appellant geschikt geacht voor vier ook al eerder geselecteerde functies, te weten schilder/spuiter (SBC 262170), medewerker tuinbouw (SBC 111010), medewerker groen en terreinverzorging (SBC 242040) en machinaal metaalbehandelaar (SBC 264121). De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit opnieuw gesteld op 0%. Onder verwijzing naar deze rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv op

22 maart 2013 het in rubriek 1 van deze uitspraak genoemde besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 andermaal ongegrond is verklaard.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zijn visie is de op redelijkheid te beoordelen termijn niet, zoals door de rechtbank gesteld, gaan lopen met de indiening van het bezwaarschrift van 29 december 2009 tegen het besluit van 7 december 2009, maar al op

3 april 2009 met het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag van een WAO-uitkering. Zelfs echter indien de rechtbank terecht is uitgegaan van 29 december 2009 had zij moeten concluderen tot overschrijding van de redelijke termijn.

4.2.

Appellant heeft voorts aangevoerd zich ook met bestreden besluit 2 niet te kunnen verenigen. Appellant meent dat de aangepaste FML van 4 februari 2013 ten onrechte niet voor commentaar naar hem is gestuurd en dat ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft plaatsgevonden. Appellant meent voorts dat het gegeven dat hij aangewezen is op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding staat (onderdeel 1.9.3. van de FML) betekent dat hij aangewezen is op werk in een beschutte werkomgeving, dus binnen de sociale werkvoorziening en niet in het vrije bedrijf. Appellant stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn. In alle geselecteerde functies wordt zijn belastbaarheid overschreden. Naast zijn psychische klachten heeft appellant regelmatig terugkerende epicondilitis lateralis (tennisarm/-elleboog). Daarmee is in zijn visie ten onrechte geen rekening gehouden.

4.3.

Appellant heeft verzocht om een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over eventuele nabetalingen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1. Nu het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan een nieuw besluit heeft genomen, behoeft bestreden besluit 1 geen bespreking door de Raad.

5.1.2. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Naar de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 6 november 2002, LJN AF1658, brengt de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Awb mee dat een belanghebbende in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. In het geval waarin een beslissing op bezwaar door de rechter in beroep wordt vernietigd, zal echter bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar onder omstandigheden ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mogen worden afgezien. Dat zal met name zo zijn wanneer, gezien de afwezigheid van nieuwe feiten of gegevens, in redelijkheid kan worden verwacht dat het opnieuw horen van de belanghebbende tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Appellant heeft betoogd dat, gelet op de vertaalslag die het Uwv voor het nemen van bestreden besluit 2 nog moest maken van het rapport van Kornelis en Van Os naar de aangepaste FML en beoordeling van de gevolgen daarvan voor de arbeidskundige beoordeling, voorlegging daarvan aan hem had moeten plaatsvinden, waarna hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn visie hierop op een hoorzitting naar voren te brengen. De Raad volgt appellant hierin. Gelet op de door appellant genoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat in redelijkheid kon worden verwacht dat het opnieuw horen van appellant tot niet meer zou kunnen leiden dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren.

5.3.

Nu appellant niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, is bestreden besluit 2 genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Daaruit volgt dat het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond is en dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

5.4.

Aangezien appellant in de loop van de procedure in hoger beroep afdoende in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt over bestreden besluit 2 en de daaraan ten grondslag gelegde stukken naar voren te brengen, zal de Raad met het oog op de finale geschillenbeslechting onderzoeken of er grond is om de rechtsgevolgen van het besluit, na vernietiging, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

5.5.

De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts bij het opstellen van de aangepaste FML van 4 februari 2013 de door Kornelis en Van Os in hun rapport van 29 augustus 2012 opgenomen FML voor de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) letterlijk heeft overgenomen. Een in de oorspronkelijke FML van 9 februari 2011 al opgenomen, maar door Kornelis en Van Os niet genoemde, specifieke voorwaarde in rubriek 2 onder 12.3 heeft de bezwaarverzekeringsarts laten staan. Deze voorwaarde betreft het aangewezen zijn op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden.

5.6.

Een van de door de bezwaarverzekeringsarts uit het rapport van Kornelis en Van Os overgenomen voorwaarden is de voorwaarde uit rubriek 1, onder 9.3, dat appellant aangewezen is op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. Bij de verdere uitwerking van deze voorwaarde - niet in de FML zelf - die vereist is voor de beoordeling van geselecteerde functies op passendheid, worden, zoals toegelicht in een arbeidskundig rapport van 25 juni 2013, drie niveaus van toezicht en/of begeleiding onderscheiden. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de bevindingen van Kornelis en Van Os te kennen gegeven dat niveau twee voor appellant voldoende is. Dit houdt in dat de betrokkene meer toezicht van een leidinggevende nodig heeft dan zijn collega’s. De leidinggevende moet het grootste deel van de dag op de werkvloer aanwezig zijn, voortdurend een oogje in het zeil houden en ingrijpen indien nodig. Appellant meent echter dat hij aangewezen is op de zwaarste vorm van toezicht en/of begeleiding, waarbij de betrokkene altijd samen met en onder continue leiding van een ervaren en empathische collega werkt, op wie hij voortdurend kan terugvallen. Dit niveau komt in het vrije bedrijfsleven maar zelden voor. Dat dit niveau vereist is leidt appellant af uit de opmerkingen die Kornelis en Van Os op pagina 11 van hun rapport maken over zijn neiging zich te verliezen in zijn werk, zijn eigen mogelijkheden te overschatten en zijn eigen grenzen niet te beseffen. De Raad volgt appellant hierin niet. Noch uit de door appellant aangehaalde passage, noch uit de rest van het rapport of de aanvulling op het rapport volgt dat appellant aangewezen is op een intensievere vorm van toezicht en/of begeleiding dan door de bezwaarverzekeringsarts gesteld. De Raad volgt appellant derhalve ook niet in zijn opvatting dat hij is aangewezen op een zodanig intensieve vorm van toezicht en/of begeleiding dat hij aangewezen is op werk in een beschutte omgeving als een sociale werkvoorziening.

5.7.

Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en de juistheid van de door hem op basis van dit onderzoek getrokken conclusies.

5.8.

De drie bij bestreden besluit 2 betrokken bezwaararbeidsdeskundigen hebben in hun rapporten van 18 maart 2013, 25 juni 2013 en 10 juli 2013 uitvoerige toelichtingen gegeven op de onder 5.6. behandelde voorwaarde en de uitwerking daarvan in relatie tot de geselecteerde functies. De Raad ziet, gelet hierop, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat in de geselecteerde functies aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ook overigens ziet de Raad, gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundigen gegeven toelichtingen geen aanleiding om te twijfelen aan de passendheid van de geselecteerde functies. De opmerkingen die appellant heeft gemaakt over de armbelasting in enkele van de geselecteerde functies laat de Raad voor wat zij zijn, nu deze verband houden met een volgens appellant regelmatig terugkerende epicondilitis lateralis, waarvan het bestaan ten tijde van belang, zoals door appellant ter zitting ook erkend, niet blijkt uit de stukken.

5.9.

Hetgeen onder 5.5. tot en met 5.8 is overwogen geeft de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand blijven. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente.

5.10.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep (mede) is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.11.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

5.12.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.11 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.13.

De Raad ziet geen grond voor de behandeling in beroep een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten in verband met de inschakeling van een deskundige. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de onder 5.12 genoemde behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, in het algemeen voldoende ruimte bieden voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn, waarbij dan doorgaans de criteria, genoemd onder 5.11, een rol zullen spelen.

5.14.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM begint in een procedure als deze te lopen op het moment waarop bezwaar wordt gemaakt tegen het primaire besluit, tenzij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in het geding is. In dit geval ziet de Raad, evenals in zijn uitspraak van 25 oktober 2007 (LJN BB7454), aanleiding om

8 april 2009, de datum van ontvangst van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de WAO-aanvraag, te hanteren als moment waarop de termijn is gaan lopen. De Raad acht daartoe redengevend dat het Uwv in bestreden besluit 1 zelf te kennen heeft gegeven dat hij niet binnen een redelijke termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag en daarom het op 8 april 2009 ontvangen bezwaar tegen het uitblijven van een besluit gegrond heeft verklaard.

5.15.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 juni 2009 (LJN BJ2790) is de Raad van oordeel dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven, uitgaande van de onder 5.12 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. Uit de daar genoemde uitspraak van 26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

5.16.

De Raad overweegt verder dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechtbank, en waarin tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, de rechtbank moet uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Indien tegen de - tweede - uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad daarvan uitgaande beoordelen of de rechtbank terzake een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Daarbij geldt dat indien sedert de aangevallen uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, deze beoordeling hoe dan ook niet tot een ander resultaat kan leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is.

5.17.

Uitgaande van 8 april 2009 als datum waarop de op redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang heeft genomen, heeft de procedure tot de aangevallen uitspraak van

21 januari 2013 drie jaar en ruim negen maanden geduurd. De redelijke termijn is met een jaar en ruim negen maanden overschreden. De eerste procedure bij de rechtbank heeft vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift op 9 maart 2010 tot de datum van de uitspraak,

22 november 2010, ruim 8 maanden geduurd. Daarmee is geen sprake van een te lange behandelingsduur bij de rechtbank. Op 14 februari 2011 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen. Naar het oordeel van de Raad dient de periode tussen de uitspraak van de rechtbank 22 november 2010 en het besluit van 14 februari 2011 voor rekening van het Uwv te blijven en moet voor de aanvang van de tweede behandeling door de rechtbank worden uitgegaan van de dag na de datum van dit nieuwe besluit op bezwaar, te weten 15 februari 2011. Vanaf die datum tot de datum van de aangevallen uitspraak van 21 januari 2013 zijn een jaar en ruim elf maanden verstreken. Dit betekent dat in de tweede procedure bij de rechtbank de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden.

5.18.

Uit hetgeen in 5.17 is vastgesteld volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde was. Aan de in 5.17 genoemde gegevens had de rechtbank voorts het vermoeden moeten ontlenen dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase was geschonden.

5.19.

Sinds de aangevallen uitspraak zijn minder dan twee jaren verstreken, zodat van een aanvullende schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn door de Raad geen sprake kan zijn.

5.20.

Uit hetgeen in 5.10 tot en met 5.19 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden voor zover de rechtbank bij die uitspraak het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn heeft afgewezen.

5.21.

De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

6.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.180,- voor verleende rechtsbijstand en

€ 43,80 aan reiskosten op basis van tweede klasse openbaar vervoer, in totaal € 1.223,80.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2013 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 22 maart 2013 geheel in stand

blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.223,80,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het griffierecht van € 118,- vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek onder nummer 13/4846 BESLU wordt heropend ter voorbereiding

van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking

tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden

(de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) G.J. van Gendt

EH