Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
11-7153 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging Wajong-uitkering. De door appellante genoemde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zwaarwegende redenen om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen. Daarbij wordt van belang geacht dat blijkens de wetgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkeringen uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in de Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarde dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. Geoordeeld wordt dat de door appellante genoemde omstandigheden niet voldoen aan deze voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7153 WAJONG

Datum uitspraak: 4 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

1 november 2011, 10/4021 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. Vermeulen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 november 2000 is appellante met ingang van 8 mei 1999 een uitkering toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat appellante het Uwv bij brief van 29 juni 2010 had bericht dat zij van plan was om in Marokko te gaan wonen, heeft het Uwv appellante bij besluit van 1 juli 2010 meegedeeld dat de Wajong-uitkering van appellante beëindigd zal worden met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij buiten Nederland gaat wonen.

1.2. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat het besluit van 1 juli 2010 niet op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen, omdat op geen enkele manier contact met haar is gezocht. Voorts heeft zij gesteld dat het om medische redenen goed voor haar zou zijn indien zij zich zou vestigen in Marokko. Zij zal zich daar veiliger voelen en bovendien zal zij in Marokko minder last hebben van haar allergische astma. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een verklaring van 19 juli 2010 overgelegd van haar huisarts.

1.3. In overeenstemming met een rapport van 15 oktober 2010 van de bezwaarverzekeringsarts W. Langerak heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld.

3.1.

Op 14 maart 2011 heeft de rechtbank een mondelinge tussenuitspraak gedaan. Daarbij is overwogen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb het Uwv de gelegenheid te geven dit gebrek te herstellen. Voor het overige zijn bij deze uitspraak de standpunten van appellante dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb en dat het door het Uwv gehanteerde beleid ter invulling van de hardheidsclausule onduidelijk dan wel onredelijk is, verworpen.

3.2.

Vervolgens heeft het Uwv een nader rapport van 15 juni 2011 van de bezwaarverzekeringsarts W. Hovy ingebracht waaruit blijkt dat hij appellante alsnog op zijn spreekuur heeft gezien en telefonisch contact heeft gehad met de huisarts van haar. Op dit rapport heeft appellante bij brief van 18 augustus 2011 met een bijgaande verklaring van

11 augustus 2011 van haar huisarts gereageerd. Daarop heeft bezwaarverzekeringsarts Hovy gereageerd met een rapport van 7 september 2011.

3.3.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat met het rapport van

15 juni 2011 van de bezwaarverzekeringsarts het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek afdoende is hersteld. Voorts is de rechtbank tot de conclusie gekomen, onder verwijzing naar de Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 84, blz. 17, hierna: de Regeling), zoals die ten tijde hier in geding golden, en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Hovy, dat het door het Uwv in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat er ten aanzien van appellante geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, niet voor onjuist kan worden gehouden.

3.4.

Op grond van het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand was gekomen heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daarbij heeft zij nogmaals de verklaring van haar huisarts van 11 augustus 2011 overgelegd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van appellante geen sprake is van zodanige omstandigheden dat de intrekking van de

Wajong-uitkering leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat het Uwv de hardheidsclausule op appellante had moeten toepassen.

5.2.

Met betrekking tot dit geschilpunt wordt vooropgesteld dat in artikel 3:19, eerste lid,

sub c, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong; voorheen artikel 17, eerste lid, sub c, van de Wajong) is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jongehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jongehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.3.

Het Uwv heeft in de Regeling aangegeven in welke gevallen en op welke wijze door hem uitvoering zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van de Regeling is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

  1. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

  2. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

  3. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

5.4.

Het Uwv heeft, onder meer, in zijn toelichting bij de Regeling aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen een aanmerkelijk nadeel betekent.

5.5.

De Raad stelt op de eerste plaats vast dat de door appellante aangevoerde omstandigheden waarom zij buiten Nederland wenst te wonen niet gerangschikt kunnen worden onder één van de drie in artikel 2 van de Regeling genoemde gevallen.

5.6.

Aan de orde is derhalve de vraag of in het geval van appellante sprake is van overige omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Appellante heeft in dit verband naar voren gebracht dat er bij haar als gevolg van een incestverleden sprake is van een psychische stoornis. Daarnaast heeft zij last van allergieën. In Nederland heeft zij voor deze klachten allerlei behandelingen ondergaan maar deze hebben haar niet verder geholpen. De ervaring heeft echter geleerd dat zij in Marokko - appellante verblijft regelmatig voor langere perioden in Marokko - minder last heeft van haar klachten. In Marokko komt zij, noch haar kinderen in contact met de hier in Nederland, verspreid over het hele land, wonende familieleden. Daardoor wordt zij in Marokko minder geconfronteerd met haar incestverleden en verminderen haar angstklachten. Tevens heeft naar haar zeggen het klimaat in Marokko een gunstige invloed op haar allergische klachten.

5.7.

De door appellante genoemde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zwaarwegende redenen om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen. Daarbij wordt van belang geacht dat blijkens de wetgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkeringen uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in de Regeling en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarde dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. Geoordeeld wordt dat de door appellante genoemde omstandigheden niet voldoen aan deze voorwaarden. Het door het Uwv, in overeenstemming met de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen, ingenomen standpunt dat de door appellante geclaimde afname van klachten bij een verblijf in Marokko niet kan worden geobjectiveerd en niet dwingend van aard is, kan niet voor onjuist worden gehouden. De door appellante overgelegde verklaringen van de huisarts kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

5.8.

Gelet op overwegingen 5.1 tot en met 5.7 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er ten aanzien van appellante geen onbillijkheid van overwegende aard is, indien als gevolg van haar vestiging in Marokko de uitkering wordt beëindigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLLISING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

JL