Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
12-6124 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na eerdere weigering, is het Uwv alsnog overgegaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding voor de inzet van teamtolken, in verband met een verdiepingscursus voor leden van de examencommissie Gebaren, Taal & Dovenstudies. Met het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuist rechtsoordeel. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank inzake het ontbreken van procesbelang bij appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6124 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

2 oktober 2012, 12/645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 september 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. N. Roovers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 maart 2013 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Bij schrijven van 2 april 2013 heeft het Uwv desgevraagd daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Appellant is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten

vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet

volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Appellant heeft bij brief van 28 mei 2013 gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid - waarom hij uitdrukkelijk had verzocht - alsnog te reageren op het schrijven van het Uwv van

2 april 2013.

Bij faxberichten van 3 en 18 juli 2013 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 26 juli 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Roovers. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong. Als tolk was aanwezig W.A. de Beer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij het bestreden besluit van 15 mei 2012 heeft het Uwv, beslissend op het bezwaar van

appellant tegen het besluit van 30 december 2011, te kennen gegeven dat alsnog wordt

overgegaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding voor de inzet van teamtolken op

23 januari 2012, in verband met een verdiepingscursus voor leden van de examencommissie

Gebaren, Taal & Dovenstudies.

1.2. Daarbij is overwogen, samengevat weergegeven, dat getoetst aan de regelgeving, in het

bijzonder de van toepassing zijnde beleidsregels, weliswaar niet wordt voldaan aan de voor

vergoeding geldende voorwaarden, maar dat het op basis van eerdere toezeggingen

gerechtvaardigd wordt geacht om met betrekking tot de onderhavige aanvraag toch tot vergoeding over te gaan.

1.3. Daarbij is tevens erop gewezen dat vervolgaanvragen steeds op eigen merites zullen worden beoordeeld, in die zin dat die aanvragen zullen worden beoordeeld aan de hand van het geldende (gewijzigde) beleid.


2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit wegens het ontbreken van voldoende procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat het resultaat dat appellant in deze procedure

nastreeft geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben, omdat, indien de gronden van appellant doel zouden treffen, dit immers niet tot een hogere vergoeding leidt dan de vergoeding die door het Uwv is vastgesteld.

2.2. Daar komt bij dat mogelijkerwijs door het Uwv gedane toezeggingen over toekomstige

(vergelijkbare) aanvragen voor doventolken thans niet ter beoordeling voorliggen en bij een (eventueel) nader te nemen besluit hieromtrent aan de orde kunnen komen.

2.3. Voorts heeft de rechtbank, eveneens onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat de in het bestreden besluit geplaatste opmerking dat komende aanvragen steeds op eigen merites zullen worden beoordeeld op basis van het geldende (gewijzigde) beleid, niet

gericht is op enig rechtsgevolg in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht

waartegen beroep kan worden ingesteld.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich, onder verwijzing naar al hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort gezegd stelt

appellant zich op het standpunt dat hij wel procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

3.2. Het belang dat appellant stelt te hebben, betreft (uitsluitend) de motivering van het bestreden besluit. De thans door het Uwv gebezigde motivering dat de vergoeding alsnog is verstrekt

wegens in het verleden gedane toezeggingen, acht appellant onjuist. Appellant meent dat de

toekenning van de gevraagde vergoeding bij het bestreden besluit had moeten worden gegrond op de overweging dat in zijn geval inhoudelijk is voldaan aan de voor vergoeding voor de inzet van teamtolken - als hier aan de orde - geldende (beleidsmatige) criteria. Appellant benadrukt dat hij een deugdelijke motivering van groot belang acht voor toekomstige soortgelijke aanvragen. Hij weet dan op voorhand waar hij aan toe is. Appellant heeft zijn belang in dit verband geformuleerd als behoefte aan rust, duidelijkheid en rechtszekerheid.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Met het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuist rechtsoordeel. De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank inzake het ontbreken van procesbelang bij appellant. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

4.3. Appellant betwist niet dat met het alsnog toewijzen in het bestreden besluit van de door hem verzochte vergoeding voor de inzet van teamtolken, inhoudelijk aan zijn bezwaar tegen het

primaire besluit is tegemoet gekomen. Hij heeft, ook weer in hoger beroep, met nadruk gesteld dat hij niettemin een principieel belang voor zichzelf ziet bij een inhoudelijke beslissing op zijn

beroep, gelet op zijn bezwaren tegen de overwegingen in het bestreden besluit, zoals weergegeven onder 3.2. Appellant is van mening dat, gegeven die bezwaren, niet kan worden gezegd dat

volledig aan zijn bezwaar tegen het primaire besluit is tegemoet gekomen.


4.4. Appellant kan daarin niet worden gevolgd. Nu appellant in aanmerking is gebracht voor de verzochte vergoeding, moet worden geoordeeld dat volledig aan zijn bezwaar tegen het primaire besluit is tegemoet gekomen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat, indien de gronden van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit doel zouden treffen, dit niet tot een

hogere vergoeding zou kunnen leiden dan de vergoeding waarvoor appellant reeds in aanmerking is gebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een louter principieel belang niet voldoende om een relevant procesbelang te kunnen aannemen. Indien toekomstige aanvragen van appellant voor vergoeding van teamtolken worden afgewezen - onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat een dergelijke afwijzing inmiddels heeft plaatsgevonden bij primair besluit van 7 februari 2013 en een beslissing op bezwaar van 17 juli 2013 - dan staat

daartegen voor appellant bezwaar en beroep open. Hij kan dan zijn stelling, dat zijn aanvraag wel voldoet aan alle daarvoor geldende wettelijke en beleidsmatige voorwaarden, opnieuw naar voren brengen. Dat appellant daarover liever vooraf zekerheid zou hebben, zodat hij op voorhand weet waar hij aan toe is, kan een inhoudelijke beoordeling door de bestuursrechter thans, in het kader van het voorliggende toewijzende besluit, niet rechtvaardigen.

4.5. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als

griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.C. Hoogendoorn

EH