Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
11-5394 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2008 is aan appellante een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet geweigerd. Op 7 juni 2010 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van dit besluit. Het Uwv heeft dat verzoek afgewezen. Met de rechtbank en op grond van de door haar gegeven overwegingen oordeelt de Raad dat het Uwv terecht geweigerd heeft terug te komen van het besluit van 1 december 2008. Het gegeven dat er inmiddels voor de klachten van appellante een verklarende diagnose is gesteld, levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/5394 WAO

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

5 augustus 2011, 11/107 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Hollman. Het Uwv is - met bericht- niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 1 december 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 16 oktober 2008, waarbij appellante een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet is geweigerd, ongegrond verklaard.

1.2. Op 7 juni 2010 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van

1 december 2008.

1.3. Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen.

1.4. Bij besluit van 15 december 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat de stelling van appellante dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de daaraan voorafgaande besluitvorming onvoldoende recht is gedaan aan haar klachtenbeeld, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de nieuwe diagnose geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv bij zijn laatste beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de nek-, rug- en armklachten. De thans door orthopedisch chirurg J.J. Nieuwenhuis gestelde diagnose, te weten een nekhernia, is een nieuwe omstandigheid waarmee rekening had moeten worden gehouden. Hierin had het Uwv aanleiding moeten zien voor een nieuw onderzoek. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, is niet de vereiste zorgvuldigheid betracht. Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige in te schakelen, teneinde te beoordelen of de nieuwe diagnose een ander licht werpt op de - aan het besluit van 1 december 2008 ten grondslag liggende - vastgestelde beperkingen van appellante. Appellante heeft voorts verzocht om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door haar geleden schade.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Met de rechtbank en op grond van de door haar gegeven overwegingen oordeelt de Raad dat het Uwv terecht geweigerd heeft terug te komen van het besluit van 1 december 2008. Het gegeven dat er inmiddels voor de klachten van appellante een verklarende diagnose is gesteld, levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen waren bij het Uwv bekend en zijn bij het besluit van 1 december 2008 betrokken.

4.3.

Het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen. Uit het systeem van de wet en de rechtspraak van de Raad volgt dat bij een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit het niet past een deskundige te benoemen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Dit brengt met zich dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary

EH