Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
12-1007 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. De bij appellant aanwezige lichamelijke en psychische klachten kunnen niet aan het aanvaarde oorlogsgeweld worden toegeschreven, maar zijn duidelijk uit andere oorzaken ontstaan. Advisering is deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Redelijke termijn niet overschreden. Appellant heeft expliciet gevraagd de behandeling van het bezwaar op te schorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1007 WUBO

Datum uitspraak: 5 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 januari 2012, kenmerk BZ01271859 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2006 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering.

1.2.1. Bij besluit van 12 juni 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2007, is deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo (te weten het getuige zijn van de mishandeling van zijn vader tijdens de Bersiap-periode), maar dat hij als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. In dat verband is overwogen dat de bij appellant aanwezige lichamelijke en psychische klachten niet aan het aanvaarde oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

1.2.2. Het tegen het besluit van 27 september 2007 ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 4 juni 2009, 08/4126 (LJN BI8068) ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt dat de bij appellant aanwezige psychische (nerveuze) klachten niet in verband kunnen worden gebracht met het oorlogsgeweld, maar zijn te benoemen als reactieve klachten als gevolg van zijn hartklachten (hartinfarct).

1.3. In augustus 2010 heeft appellant op grond van (toegenomen) psychische klachten wederom een aanvraag ingediend om op grond van de Wubo in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft verweerder afgewezen bij besluit van 29 november 2010, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Verweerder blijft op het standpunt staan dat de psychische (en lichamelijke) klachten van appellant niet in verband staan met het door hem meegemaakte oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan.

2.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd oordeelt de Raad als volgt.

3.1.

De onder 1.3 genoemde aanvraag draagt, naar verweerder terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerder eerder genomen, hiervoor

vermelde besluit naar aanleiding van de aanvraag van november 2006, voor zover in dat besluit de psychische en lichamelijke klachten niet zijn aanvaard als staande in causaal verband met het oorlogsgeweld.

3.2.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen meebrengt dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

3.3.

Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerder in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van verweerder, welke berusten op een verslag van een huisbezoek aan appellant, afgelegd door de arts A.M. Ohlenschlager, op bij de huisarts van appellant ingewonnen informatie en op de reeds bij verweerder aanwezige medische informatie in verband met de eerdere aanvraag van appellant. Uit het verslag van Ohlenschlager komt naar voren dat appellant vrijwel dezelfde psychische klachten heeft als die welke hij bij gelegenheid van zijn eerdere aanvraag naar voren heeft gebracht. Volgens Ohlenschlager is aannemelijk dat de bij appellant aanwezige psychische klachten zijn ontstaan door zijn lichamelijke gezondheid. In bezwaar heeft verweerder voorts een recent onderzoeksrapport, opgemaakt naar aanleiding van een aanvraag van appellant bij de Commissie Algemene Oorlogsongevallen Regeling (CAOR), in beschouwing genomen.

3.4.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Daarbij is van belang dat voor de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) andere - in dit geval ruimere - maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo. In dat verband verwijst de Raad ook naar zijn uitspraak van 4 juni 2009, LJN BI7956. Om die reden kan aan de ten behoeve van de CAOR opgestelde medische rapporten niet de betekenis worden gehecht die appellant eraan toegekend wil zien. Het beroep van appellant op sequentiële oorlogstraumatisering kan evenmin slagen. Aan de essentiële voorwaarde dat het oorlogsgeweld van betekenende invloed moet zijn geweest op het ontstaan van de psychoproblematiek wordt, zoals uit genoemde medische adviezen blijkt, niet voldaan. Uit deze adviezen komt duidelijk naar voren dat de psychische klachten aan andere oorzaken moeten worden toegeschreven. Daarmee faalt ook het beroep dat is gedaan op de in artikel 2, tweede lid, van de Wubo geregelde omgekeerde bewijslast.

3.5.

Er zijn geen termen aanwezig om, zoals door appellant is verzocht, een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

3.6.

Uit 3.3 en 3.4 volgt dat appellant geen (medische) gegevens of omstandigheden naar voren heeft gebracht die op de beoordeling van de eerdere aanvraag een ander licht werpen. Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toetsing van de Raad dus doorstaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

4.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

4.2.

In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet vervolgens per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

4.3.1.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 november 2010 op 7 december 2010 zijn, tot aan de datum van deze uitspraak, twee jaar en bijna negen maanden verstreken. Dit is meer dan twee en een half jaar. De Raad stelt vast dat sprake is van een te lange behandelingsduur bij verweerder, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 7 december 2010 en het thans bestreden besluit van 20 januari 2012 bijna een jaar en twee maanden zijn verstreken. De Raad stelt vervolgens vast dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase, nu deze niet meer dan twee jaar heeft geduurd.

4.3.2.

De Raad ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval evenwel aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een langere termijn dan twee en een half jaar. In de bezwaarfase heeft appellant namelijk op 16 maart 2011 expliciet gevraagd de behandeling van het bezwaar op te schorten in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag in het kader van de AOR, waarna hij op 19 juli 2011 verweerder heeft verzocht (alsnog) een beslissing op zijn bezwaar te nemen. Appellant heeft verder op 3 oktober 2011 uitdrukkelijk gevraagd hem in de gelegenheid te stellen een medische expertise te laten verrichten, waarna hij op 12 januari 2012 te kennen heeft gegeven alsnog af te zien van het inbrengen van zo’n expertise en heeft verzocht de behandeling van het bezwaar voort te zetten. De Raad vindt aanleiding de redelijke termijn met deze periode(s) gedurende welke de bezwaarprocedure stil heeft gelegen, in totaal meer dan 7 maanden, te verlengen. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Voor een schadevergoeding is dus geen plaats.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.T.P. Pot

HD