Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-1867 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv aan appellante een indicatie verleend voor de WSW voor de duur van twee jaar. Appellante is van mening dat zij onder de oude beleidsregels valt en dat de indicatieduur moet worden verlengd. De beleidsregels zijn met ingang van 15 mei 2011 gewijzigd, omdat op dat moment met ingang van 1 januari 2013 de inwerkingtreding van de Wet werken naar vermogen werd voorzien. Nu appellante op 24 mei 2011, met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier, een aanvraag voor een WSW-indicatie heeft ingediend, heeft het Uwv de geldigheidsduur van de indicatie terecht op twee jaar vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1867 WSW

Datum uitspraak: 5 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2012, 11/1691 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is hoogbegaafd en kampt met psychische klachten. Zij ontvangt een bijstandsuitkering. Met een formulier, dat op 19 april 2011 is ontvangen door het WERKbedrijf Deventer, heeft appellante zich aangemeld voor een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Het Uwv heeft haar op 11 mei 2011 uitgenodigd voor een gesprek op 24 mei 2011 over de aanmelding. Appellante heeft tijdens dat gesprek het ‘aanvraagformulier indicatie’ ingediend.

1.2. Bij besluit van 30 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 september 2011 (bestreden besluit), heeft het Uwv aan appellante een indicatie verleend voor de WSW voor de duur van twee jaar.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appelante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat zij onder de oude beleidsregels valt en dat de indicatieduur moet worden verlengd. Zij voert aan dat het Uwv haar aanmelding al op 19 april 2011 heeft ontvangen en het intakegesprek heeft plaatsgevonden na afloop van de vier weken die de Nationale Ombudsman in zijn rapport 2009/255 van 27 november 2009 daarvoor als maximale termijn heeft genoemd. Als er geen vertraging was opgetreden, had zij het aanvraagformulier vóór 15 mei 2011 kunnen indienen. Dat zou ook het geval geweest zijn als zij was geïnformeerd over de ophanden zijnde beleidswijziging. Niet de aanvraag, maar de aanmelding moet volgens appellante gelden als startmoment van de aanvraagprocedure.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WSW, voor zover hier van belang, stelt het Uwv van personen die daartoe een aanvraag hebben ingediend vast of deze behoren tot de doelgroep en zo ja, wat de geldigheidsduur van de indicatie is.

4.2.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken stelt het WERKbedrijf de geldigheidsduur van de indicatie vast tussen minimaal 1 jaar en maximaal 50 jaar. Dit artikel is uitgewerkt in artikel 3 van de Beleidsregels Wsw 2008 (beleidsregels), waarin onder meer is bepaald dat het Uwv een geldigheidsduur op maat vaststelt, afhankelijk van de te verwachten veranderingen van de beperkingen van de aanvrager in de toekomst.

4.3.

De beleidsregels zijn met ingang van 15 mei 2011 gewijzigd, omdat op dat moment met ingang van 1 januari 2013 de inwerkingtreding van de Wet werken naar vermogen werd voorzien. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels (tekst vanaf 15 mei 2011) geldt in afwijking van het eerste lid een geldigheidsduur van twee jaar voor indicatiestellingen die op basis van een in de periode van 15 mei 2011 tot en met 30 december 2011 door het Uwv ontvangen aanvraag voor het eerst worden afgegeven.

4.4.

Nu appellante op 24 mei 2011, met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier, een aanvraag voor een WSW-indicatie heeft ingediend, heeft het Uwv met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels de geldigheidsduur van de indicatie terecht op twee jaar vastgesteld. Dat appellante, als haar aanmelding met meer voortvarendheid zou zijn behandeld dan wel als zij eerder had geweten van de beleidswijziging, haar aanvraag mogelijk vóór 15 mei 2011 zou hebben ingediend, kan er niet toe leiden dat in haar geval de beleidsregels van toepassing zijn, zoals die vóór 15 mei 2011 luidden. Hierbij tekent de Raad aan dat toepassing van die beleidsregels niet zonder meer tot een langere indicatieduur zou hebben geleid. Artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels brengt immers mee dat de vaststelling van de geldigheidsduur van de indicatie maatwerk is.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.J. van de Griend en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD