Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
12-637 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing, (voornemen tot) disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim inhoudende dat appellant geregeld onder werktijd alcohol heeft gebruikt. Aannemelijk geworden dat appellant zich onder werktijd min of meer stelselmatig aan alcoholgebruik schuldig heeft gemaakt. Aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de drie collega’s draagt bij dat deze gedetailleerde inlichtingen behelzen over het alcoholgebruik van appellant en, hoewel onafhankelijk van elkaar afgelegd, (grotendeels) met elkaar overeenstemmen. Er is sprake van ernstig plichtsverzuim, zeker gezien de aanmerkelijke gevaren die aan het ophalen van het huisvuil zijn verbonden. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat het appellant opgelegde strafontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is van belang dat het appellant bekend was dat alcoholgebruik tijdens de dienst vanwege het college niet werd getolereerd. Dit gebruik had bij een collega van appellant al tot strafontslag geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/637 AW

Datum uitspraak: 5 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 december 2011, 10/4334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat, P. van Breugel en P.W.C. van Oers. Als getuige is gehoord [F.], door het college daartoe opgeroepen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1.

Appellant was werkzaam als medewerker inzameling bij de dienst Afvalservice van de directie Stadsbedrijven van de gemeente Breda.

1.2.

Op 20 januari 2010 heeft appellant als bestuurder van een vuilnisauto een aanrijding veroorzaakt bij een benzinestation. Aangezien het college vermoedde dat dit onder invloed van alcohol was gebeurd, heeft het een onderzoek ingesteld.

1.3.

Hangende dit onderzoek heeft het college appellant bij besluit van 22 januari 2010 (besluit 1) met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Bredase Uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) geschorst.

1.4.

Bij brief van 9 maart 2010 heeft het college appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de CAR/BUWO op te leggen.

1.5.

Bij besluit van 16 maart 2010 (besluit 2) heeft het college appellant in verband met dit voornemen geschorst met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/BUWO.

1.6.

Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven op het onder 1.4 vermelde voornemen, heeft het college bij besluit van 16 april 2010 (besluit 3) overeenkomstig dit voornemen beslist.

1.7.

Bij besluit van 16 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het appellant ten laste gelegde plichtsverzuim houdt in dat hij geregeld onder werktijd alcohol heeft gebruikt. Het college beroept zich voor het aannemelijk achten van dit gedrag vooral op de verklaringen van [naam F.] (F), [naam T.] (T) en [naam Z.] (Z) die indertijd met appellant als collega’s veelvuldig samenwerkten, alsmede op de verklaring van P, ten huize van wie meer dan eens werd gepauzeerd. Of appellant ook tijdens het incident op 20 januari 2010 onder invloed van alcohol verkeerde, kan volgens het college niet met zekerheid worden vastgesteld. De die dag pas na verloop van (vrij) lange tijd ter plaatse gekomen politie kon dat in ieder geval aan de hand van een blaastest niet (meer) vaststellen.

3.2.

De Raad stelt voorop dat de aan appellant gemaakte verwijten in belangrijke mate berusten op verklaringen van collega’s. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC7003, heeft overwogen dient met dergelijke verklaringen voorzichtig te worden omgegaan; zij kunnen immers slechts goed op hun waarde geschat worden tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de desbetreffende groep medewerkers. In beginsel zal het dus nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem verweten wordt.

3.3.

De stelling van appellant dat de collega’s F, T en Z uit rancune hebben gehandeld bij het afleggen van hun verklaringen heeft de rechtbank op goede gronden niet aannemelijk geacht. Ter zitting van de Raad heeft het hoofd van de dienst Afvalservice [naam B.] (B) bevestigd dat appellant haar weliswaar heeft medegedeeld dat er door collega’s drugs werden gebruikt maar dat hij daarbij uitdrukkelijk geen namen van die collega’s heeft willen noemen. Het hoofd inzameldiensten [naam hoofd inzameldienst] heeft ter zitting verklaard bij het gesprek tussen appellant en B aanwezig te zijn geweest en heeft van dit gesprek dezelfde lezing gegeven als B.

3.4.

Aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de drie collega’s draagt bij dat deze gedetailleerde inlichtingen behelzen over het alcoholgebruik van appellant en, hoewel onafhankelijk van elkaar afgelegd, (grotendeels) met elkaar overeenstemmen.

Voorts hebben deze collega’s ter zitting van de rechtbank als getuigen verklaringen afgelegd die geheel in lijn zijn met hun eerdere verklaringen. Weliswaar heeft T op die zitting op één punt tegenstrijdig verklaard, maar dit betreft uitsluitend het incident op 20 januari 2010 en is daarom - gelet op hetgeen onder 3.1 is overwogen - van ondergeschikt belang; bovendien lijkt veeleer sprake te zijn geweest van een misverstand.

Ter zitting van de Raad is de getuige F volledig gebleven bij zijn eerdere verklaringen. Verder heeft F aldaar gezegd dat hij zijn verklaring tegenover de werkgever weliswaar met (enige) tegenzin heeft afgelegd omdat hij liever niet tegen appellant als collega met wie hij een behoorlijke verstandhouding had, getuigde maar dat hij dit toch heeft gedaan omdat die verklaring de waarheid behelsde. Natuurlijk wilde hij zijn eigen positie bij de gemeente als tijdelijke arbeidskracht op geen enkele manier in gevaar brengen, maar hij is door zijn leidinggevenden niet onder druk gezet om te verklaren zoals hij heeft gedaan. De getuigenverklaring van F, die tegelijkertijd stellig en genuanceerd is, wordt door de Raad als geloofwaardig aangemerkt.

3.5.

Op 22 juli 2010 heeft F appellant en zijn vrouw bezocht voor een gesprek over het door hem afleggen van de verklaring ten nadele van appellant. Van dit gesprek heeft appellant een geluidsopname gemaakt die op onderdelen minder goed verstaanbaar is. Zowel appellant als het college hebben transcripties van deze opname laten maken. De meest uitvoerige is die van het college. F heeft ter zitting als getuige verklaard dat deze laatste versie juist is en appellant heeft dit niet gemotiveerd betwist. Volgens deze versie heeft F (in het onderhoud met appellant en zijn vrouw) gezegd dat er voor zover hij weet niets verkeerds staat in de verklaring en dat er weinig is terug te draaien. Verder valt op dat uit (ook) deze versie niet is op te maken dat appellant of zijn vrouw F het verwijt maken dat de verklaring die F bij zijn werkgever heeft afgelegd onwaar zou zijn.

3.6.

In het licht van de onder 3.2 omschreven rechtspraak is voorts van belang dat de verklaringen van de drie collega’s steun vinden in de door P afgelegde duidelijke verklaring over alcoholgebruik door appellant. P is geen collega, maar een kennis van appellant. Weliswaar heeft P zijn verklaring later ingetrokken maar de rechtbank heeft terecht en op goede gronden geen aanleiding gezien de verklaring van P buiten beschouwing te laten.

3.7.

Terecht heeft de rechtbank aan door appellant overgelegde verklaringen van collega’s dat zij appellant nooit bier hebben zien drinken onder werktijd niet meer dan geringe betekenis toegekend. Een groter aantal collega’s heeft overigens een dergelijke verklaring juist niet afgelegd.

3.8.

Het geheel van voorgaande omstandigheden en overwegingen overziende, is de Raad van oordeel dat aannemelijk is geworden dat appellant zich onder werktijd min of meer stelselmatig aan alcoholgebruik schuldig heeft gemaakt. Dit is als ernstig plichtsverzuim aan te merken, zeker gezien de aanmerkelijke gevaren die aan het ophalen van het huisvuil zijn verbonden. Dit betekent dat het college bevoegd was appellant disciplinair te straffen.

3.9.

Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat het appellant opgelegde strafontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is van belang dat het appellant bekend was dat alcoholgebruik tijdens de dienst vanwege het college niet werd getolereerd. Dit gebruik had bij een collega van appellant al tot strafontslag geleid. Het strafontslag kan daarom de rechterlijke toets doorstaan.

3.10.

Tegen de handhaving van de besluiten 1 en 2 heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend. Dit leidt tot het oordeel dat het hoger beroep in zijn geheel geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.

Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman

HD