Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
12-4829 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit de ZW-uitkering van appellante beëindigd. Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de psychische klachten van appellante ten tijde in geding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er sprake is geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover inzichtelijk is gerapporteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/4829 ZW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juli 2012, 11/4033 ZW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Namens appellante is verschenen mr. M. Akça-Altun, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als caissière voor 32 uur per week toen zij op 12 september 2001 vanwege psychische klachten voor dat werk is uitgevallen. Per einde wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend. Na een herkeuring is deze uitkering met ingang van 4 augustus 2005 ingetrokken.

1.2. Sinds 12 februari 2009 is appellante werkzaam geweest als schoonmaakster voor 10 uur per week. Met ingang van 29 december 2009 heeft zij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld vanwege toegenomen psychische klachten. Naar aanleiding hiervan is haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3. In het kader van een beoordeling op grond van de ZW heeft appellante op 20 mei 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze heeft appellante met ingang van 3 juni 2011 weer in staat geacht om haar arbeid van schoonmaakster te verrichten. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2011 de

ZW-uitkering van appellante met ingang van 3 juni 2011 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit tot beëindiging van haar ziekengeld per 3 juni 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 8 juli 2011 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat de (bezwaar)verzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante per 3 juni 2011 geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de bevindingen van de verzekeringsartsen worden bevestigd door het onderzoek van de afdeling psychiatrie van het TweeSteden Ziekenhuis. Aan het gegeven dat PsyQ in de brief van 24 oktober 2011 tot een beduidend lagere

GAF-score komt dan de psychiater en de verzekeringsartsen, heeft de rechtbank niet dat gewicht toegekend dat appellante daaraan gehecht wenst te zien. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de conclusie van PsyQ, mede in het licht van de overige onderzoeken, onvoldoende is gemotiveerd.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de door haar ingebrachte stukken van PsyQ blijk geven van een andere inschatting van de belastbaarheid van appellante dan de belastbaarheid zoals die is vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte de conclusie van het TweeSteden Ziekenhuis in de overwegingen meegenomen terwijl dit slechts een intake-gesprek betrof in plaats van een grondig psychologisch onderzoek.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 4 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. Mitsdien is bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken terecht het werken in de nabijheid van een mortuarium, dat door appellante als zeer belastend werd ervaren, buiten beschouwing gelaten.

4.2.

Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de psychische klachten van appellante ten tijde in geding. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover inzichtelijk is gerapporteerd.

4.3.

De in hoger beroep overgelegde informatie van PsyQ van 11 juli 2013 bevat als zodanig geen nieuwe gezichtspunten ten opzichte van de in beroep overgelegde brief van PsyQ van

24 oktober 2011. Er is geen aanleiding te twijfelen aan het eerder door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat de conclusie van PsyQ niet is onderbouwd met een beschrijving van de psyche of met een psychiatrisch onderzoek en evenmin met overwegingen die tot deze conclusie hebben geleid.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

EH