Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
12-2597 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1613, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de door appellant verrichte werkzaamheden terecht zijn aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, als gevolg daarvan het recht op WW-uitkering terecht voor een oplopend aantal uren is herzien en een bedrag terecht van hem is teruggevorderd. Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. Het Uwv was op grond van art. 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW verplicht tot herziening van de WW-uitkering van appellant. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2597 WW

Datum uitspraak: 4 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 maart 2012, 11/2334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Breevoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 december 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) op basis van een gemiddeld arbeidsurenverlies van 38 per week.

1.2. Appellant heeft bij besluit van 17 december 2009 van het Uwv toestemming gekregen om zich in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 januari 2010 met behoud van zijn

WW-uitkering te oriënteren op het starten van een eigen bedrijf. In dit besluit is vermeld dat appellant de oriëntatieperiode kan gebruiken voor het opstellen van een bedrijfsplan, het inwinnen van advies bij de Kamer van Koophandel, het doen van onderzoek naar een geschikte vestigingsplaats en om de financiering, verzekeringen en vergunningen voor zijn bedrijf te regelen. Het Uwv heeft appellant er uitdrukkelijk op gewezen dat het niet de bedoeling is dat hij de tijd besteedt aan zijn bedrijf en het binnenhalen van opdrachten. In dat geval stopt namelijk de oriëntatieperiode en eindigt de WW-uitkering voor de omvang van de werkzaamheden.

1.3. Na het einde van de oriëntatieperiode heeft appellant activiteiten verricht, gericht op het overnemen dan wel het starten van een fietsenstalling of -winkel. Van de resultaten heeft hij de werkcoach van het Uwv voortdurend op de hoogte gehouden. Nadat appellant de werkcoach op 29 juli 2010 per e-mail had meegedeeld dat hij eindelijk wat meer zicht had op een pand voor zijn fietsenwinkel, heeft de werkcoach op 4 augustus 2010 bij appellant geïnformeerd of hij de gewerkte uren opgaf aan de afdeling WW. Op 8 september 2010 heeft appellant een zogenoemd urenformulier opgestuurd aan de werkcoach, waarop hij de gewerkte uren heeft vermeld vanaf 1 januari 2010.

1.4. Op basis van het door appellant ingevulde urenformulier heeft het Uwv bij besluit van

23 september 2010 de WW-uitkering van appellant met ingang van 4 januari 2010 herzien voor vier uur per week, met ingang van 18 januari 2010 voor zes uur per week, met ingang van 15 februari 2010 voor tien uur per week en met ingang van 28 juni 2010 voor elf uur per week, omdat hij over die uren de hoedanigheid van werknemer heeft verloren. Omdat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige per 13 september 2010 volledig heeft beëindigd en daarmee het werknemerschap over de gekorte uren heeft herkregen, heeft het Uwv met ingang van die datum de WW-uitkering weer volledig uitbetaald. Bij besluit van

27 september 2010 heeft het Uwv over de periode van 4 januari 2010 tot en met 25 juli 2010 een bedrag van € 4.223,60 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

23 september 2010 en 27 september 2010.

1.5. Bij besluit van 26 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 23 september 2010 en 27 september 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant per 4 januari 2010 werkzaamheden gaan verrichten waarmee hij de hoedanigheid van werknemer heeft verloren, omdat appellant vanaf 4 januari 2010 alles in het werk heeft gesteld om als zelfstandige aan de slag te gaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het door appellant ingevulde urenoverzicht van 8 september 2010 voor onjuist te houden. De rechtbank heeft overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij alle uren die hij besteedde aan activiteiten die direct verband hielden met werkzaamheden als zelfstandige aan het Uwv had moeten opgeven, ongeacht of hij daarmee inkomsten behaalde. Het Uwv heeft de

WW-uitkering dan ook terecht met terugwerkende kracht herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering terecht teruggevorderd.

3.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij vanaf 4 januari 2010 geen werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige, nu hij slechts de mogelijkheden heeft onderzocht om een fietsenstalling over te nemen en in dit kader oriënterende gesprekken heeft gevoerd. Voor zover deze activiteiten aangemerkt kunnen worden als gewerkte uren als zelfstandige, heeft appellant het standpunt ingenomen dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij die uren moest doorgeven aan het Uwv. Appellant verkeerde namelijk in de veronderstelling dat hij uitsluitend arbeidsuren behoefde op te geven. Omdat appellant zijn werkcoach vanaf januari 2010 geregeld heeft geïnformeerd over zijn activiteiten, had volgens appellant van de werkcoach verwacht mogen worden dat zij hem had geïnformeerd over het feit dat hij ook de uren die hij besteedde aan oriënterende activiteiten door moest geven aan het Uwv.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd.

4.1.2. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.1.3. Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer onder andere verplicht om aan het Uwv onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

4.1.4. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van WW-uitkering onder andere indien het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Op grond van het tweede lid kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4.1.5. In artikel 36, eerste lid, van de WW is bepaald dat de uitkering die onder andere als gevolg van een besluit tot herziening van de uitkering onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd.

4.2.1. Tussen partijen is in geschil of de door appellant vanaf 4 januari 2010 verrichte werkzaamheden terecht zijn aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd, als gevolg daarvan het recht op WW-uitkering vanaf

4 januari 2010 terecht voor een oplopend aantal uren is herzien en een bedrag van € 4.223,60 terecht van hem is teruggevorderd.

4.2.2. Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet volgens vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 5 december 2012, LJN BY5260) worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

4.2.3. Het Uwv heeft bij zijn onderzoek naar de aard en omvang van de activiteiten van appellant terecht het door appellant op 8 september 2010 ingevulde urenformulier als uitgangspunt genomen, waarin appellant de door hem vanaf 4 januari 2010 gewerkte uren heeft gespecificeerd naar uren besteed aan administratie, acquisitie, reizen, onderscheidenlijk overige activiteiten. Deze opgave rechtvaardigt de aanname dat appellant met ingang van

4 januari 2010 werkzaam was als zelfstandige. Appellant heeft de op dit formulier ingevulde uren later op de dag van 8 september 2010 herroepen, met als motivering dat hij vanaf

1 december 2009 volledig beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt en voldaan heeft aan zijn sollicitatieverplichting. Aan deze herroeping komt geen betekenis toe, nu appellant met de door hem gegeven motivering voor de herroeping niet aannemelijk heeft gemaakt dat de urenopgave op zich niet juist is.

4.2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is over die werkzaamheden verder het volgende gebleken. Nadat het overnemen van een fietsenstalling aan het [adres 1] te [vestigingsplaats] niet was doorgegaan, heeft appellant zich gericht op het overnemen van een bestaande fietsenwinkel aan de [adres 2] te [vestigingsplaats]. In dat kader heeft appellant zich laten informeren over de voorraad, heeft hij een koopavond en een zaterdag meegedraaid en heeft hij onderhandeld over een overnameprijs. Uiteindelijk is gebleken dat appellant de overname niet kon financieren, zodat deze niet tot stand is gekomen. Daarna is de fietsenstalling aan het [adres 1] weer in beeld gekomen bij appellant, in welk kader hij een voorstel heeft gedaan voor de exploitatie als zelfstandige. Ook dit heeft niet tot resultaat geleid. Vervolgens heeft appellant gezocht naar locaties om zelf een fietsenwinkel te starten. Ook dit is uiteindelijk niet gelukt, onder meer omdat het door appellant geschikt bevonden pand op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan een andere bestemming had (in welk kader appellant gesprekken heeft gevoerd met een wethouder) en omdat appellant bij banken geen financiering kon krijgen. Ten slotte heeft appellant de door hem reeds voor zijn werkloosheid gebouwde website www.fietsservicecenter.com onderhouden.

4.2.5. Alle in 4.2.4 omschreven activiteiten van appellant waren concreet gericht op het overnemen van een bestaande fietsenstalling of -winkel dan wel het starten van een nieuwe fietsenwinkel. Daarmee gaan deze activiteiten het stadium van het zich oriënteren op vestiging als zelfstandige duidelijk te boven, en zijn deze dan ook aan te merken als activiteiten waarmee, volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen, het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd. Daarmee voldoen de werkzaamheden aan de door de Raad gehanteerde, in 4.2.2 genoemde, begripsomschrijving, zodat sprake is van werkzaamheden waarmee appellant zijn hoedanigheid van werknemer gedeeltelijk heeft verloren.

4.3.

Appellant heeft de uren die hij heeft besteed aan voornoemde werkzaamheden niet opgegeven aan het Uwv. Nu sprake was van werkzaamheden die na afloop van de oriëntatieperiode zijn verricht, had het hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij die uren wel had moeten opgeven. Voor zover er bij appellant onduidelijkheid bestond over de vraag of van de door hem gewerkte uren opgave moest worden gedaan, had het op zijn weg gelegen daarover gerichte vragen te stellen aan het Uwv. Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij nog geen uren behoefde op te geven aan het Uwv moet voor zijn rekening blijven, nu dit een eigen interpretatie is die niet berust op van de zijde van het Uwv gedane mededelingen.

4.4.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was het Uwv in dit geval dan ook verplicht tot herziening van de WW-uitkering van appellant. De wijze waarop de WW-uitkering is herzien, waarbij is uitgegaan van de opgave van appellant, genoemd in 1.3, is juist.

4.5.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 4 januari 2010 tot en met

25 juli 2010 van appellant terug te vorderen.

5.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover door appellant aangevochten, dient te worden bevestigd.

6.

Voor de gevraagde veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen ruimte.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

HD