Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1641

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
11-6504 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college de ingevolge de Wmo aan appellante toegekende vervoerskostenvoorziening beëindigd op de grond dat zij kan reizen met Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV), alleenreizend, direct en van deur tot deur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan het advies ten grondslag liggende (medisch) onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarin voldoende inzichtelijk is gemaakt op grond van welke overwegingen is geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht van het AOV, alleenreizend, direct en van deur tot deur, gebruik te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/6504 WMO

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 oktober 2011, 11/3766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Boomstra een nader stuk ingediend. Het college heeft daarop gereageerd en eveneens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Voor appellante is verschenen mr. Boomstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college de ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan appellante toegekende vervoerskostenvoorziening beëindigd op de grond dat zij kan reizen met Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV), alleenreizend, direct en van deur tot deur.

1.2. Het tegen het besluit van 15 december 2009 ingediende bezwaar heeft het college ongegrond verklaard bij besluit van 31 augustus 2010. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 12 mei 2011 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het college opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen, maar dan op basis van een zorgvuldig tot stand gekomen en inzichtelijk (medisch) advies.

1.3. Het college heeft de MO-zaak op 19 mei 2011 verzocht om een nader advies uit te brengen. De MO-zaak heeft op 15 juni 2011 advies uitgebracht op basis van de bestudering van de dossierstukken en verkregen informatie van de behandelend artsen. Naar aanleiding van het advies van 15 juni 2011 heeft het college het bezwaar van appellante bij besluit van 13 juli 2011 (bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

2.

Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het aan het advies van

15 juni 2011 ten grondslag liggende (medisch) onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarin voldoende inzichtelijk is gemaakt op grond van welke overwegingen is geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht van het AOV, alleenreizend, direct en van deur tot deur, gebruik te maken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat op basis van het summiere onderzoek niet geconcludeerd had mogen worden dat appellante met een AOV-vervoerspas in haar vervoersbehoefte zou kunnen voorzien. Appellante heeft een schriftelijke verklaring van psychiater J.N. Velleman van 6 februari 2012 overgelegd waarin deze stelt dat er ten aanzien van reizen met het openbaar vervoer voor appellante een contra-indicatie bestaat, omdat zij fobische klachten heeft die bijvoorbeeld zouden kunnen leiden tot hyperventileren en paniekaanvallen in het openbaar vervoer.

3.2.

Naar aanleiding van de verklaring van Velleman heeft het college nader advies gevraagd aan haar indicatieadviseur en medisch adviseur. De adviseurs hebben nadere informatie opgevraagd bij Velleman en zijn op basis daarvan, blijkens het rapport van 21 mei 2012, tot de conclusie gekomen dat wanneer de informatie van Velleman wordt meegewogen, appellante nog steeds geacht wordt met het AOV, in de variant alleenreizend, direct en van deur tot deur, te kunnen reizen.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond is. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Ook in hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij niet met AOV, alleenreizend, direct en van deur tot deur kan reizen.

4.2.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van beroep afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom het beroep niet kon slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

4.3.

De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van Velleman levert, gezien ook het advies van 21 mei 2012, geen nieuwe gezichtspunten op. De verklaring van Velleman betreft niet de aan appellante aangeboden AOV-variant alleenreizend, direct en van deur tot deur, maar het (gewoon) openbaar vervoer. Dat appellante niet in staat geacht wordt van het openbaar vervoer gebruik te maken is op grond van de medische adviezen erkend door het college en wordt dan ook niet van haar gevergd.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

QH