Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
11-4471 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft appellante in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden voor drie uur per week gedurende de periode 8 maart 2010 tot en met 28 oktober 2012. Het gaat daarbij om zwaar huishoudelijk werk. Voor andere activiteiten krijgt appellante geen hulp, aangezien uit het onderzoek is gebleken dat haar echtgenoot in staat mag worden geacht deze werkzaamheden uit te voeren. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het advies van CIZ aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/4471 WMO

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 juni 2011, 10/532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Toet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Appellante heeft eveneens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Toet. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft op 13 oktober 2009 hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aangevraagd.

1.2. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft adviezen uitgebracht. De medisch adviseur van CIZ is tot de conclusie gekomen dat appellante beperkingen heeft “bij het laag en zwaar huishoudelijk werk”. De echtgenoot van appellante heeft als gevolg van rugklachten beperkingen “in het uitvoeren van het zwaar huishoudelijk werk”. Hij is blijvend beperkt voor zwaar huishoudelijk werk en voor hoge en lage werkzaamheden. Hij kan wel licht werk doen, de was verzorgen en strijken (verdeeld over de week). Hij kan ook zorg dragen voor de maaltijden en de boodschappen. Van overbelasting is bij haar echtgenoot geen sprake. Naar de opvatting van CIZ kan van appellante en haar echtgenoot niet worden verwacht dat zij het zware huishoudelijke werk verrichten, maar wel worden verwacht dat zij samen het stofzuigen en de andere lichtere huishoudelijke werkzaamheden zullen verrichten.

1.3. Het college heeft appellante bij besluit van 8 maart 2010 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden voor drie uur per week gedurende de periode 8 maart 2010 tot en met 28 oktober 2012. Het gaat daarbij om zwaar huishoudelijk werk. Voor andere activiteiten krijgt appellante geen hulp, aangezien uit het onderzoek is gebleken dat haar echtgenoot in staat mag worden geacht deze werkzaamheden, verdeeld over de dag en de week, uit te voeren. Ook kan zij gebruik maken van een maaltijdservice en/of boodschappendienst.

1.4. Bij besluit van 13 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank.

4.1.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het advies van CIZ aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. De medisch adviseur heeft blijkens het medisch advies kennis genomen van medische informatie verstrekt door de huisarts. Uit de stukken noch uit hetgeen appellante heeft aangevoerd, blijkt dat de medisch adviseur geen volledig beeld had en hiermee niet had kunnen volstaan. Ook de door appellante aangevoerde omstandigheid dat de medisch adviseur haar echtgenoot niet medisch heeft onderzocht, leidt niet tot het oordeel dat het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd volgt niet dat een medisch onderzoek, gelet op de al aanwezige informatie, enige toegevoegde waarde zou hebben kunnen gehad.

4.2.

Volgens het CIZ-advies is de echtgenoot van appellante in staat licht huishoudelijk werk te verrichten, ondanks de beperking voor hoge en lage werkzaamheden. Appellante heeft geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat deze conclusie onjuist is. De medisch adviseur heeft rekening gehouden met de rugaandoeningen van haar echtgenoot. Ook uit de door appellante ingediende stukken komt naar voren dat hij pijnklachten aan de rug heeft, maar hierin is niet te lezen dat die ongeschiktheid voor licht huishoudelijk werk meebrengen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat er geen aanleiding is om het CIZ-advies niet voor juist te houden.

4.3.

Ook voor de stelling van appellante dat haar echtgenoot overbelast dreigt te worden treft geen doel. Uit de omstandigheid dat hij inmiddels arbeidsongeschikt is, is zonder nadere onderbouwing niet af te leiden dat hij niet in staat is licht huishoudelijk werk te verrichten.

4.4.

Nu de echtgenoot van appellante in staat wordt geacht te koken, en van een beperking op dit punt geen sprake is, is er in zoverre geen plaats voor een voorziening op grond van de Wmo. Dat hij nooit geleerd heeft te koken en naar de stelling van appellante niet in staat is dit te leren, doet hier niet aan af.

4.5.

Ook hetgeen appellante heeft aangevoerd over haar financiële onvermogen om gebruik te maken van een boodschappendienst, slaagt niet. Uit het CIZ-advies blijkt dat de echtgenoot van appellante in staat is zorg te dragen voor de boodschappen. Het college heeft voor zover hij daarbij problemen ondervindt, de boodschappendienst als aanvullende mogelijkheid genoemd. Gelet op de vastgestelde beperkingen zullen appellante en haar echtgenoot hierop slechts in incidentele gevallen een beroep hoeven te doen voor de zware boodschappen. Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht is de Raad niet kunnen blijken dat dit gebruik extra kosten met zich brengt.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

HD