Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
05-09-2013
Zaaknummer
11-605 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering indicatie voor de functie Begeleiding Individueel. Ontbreken van relevante behandelingsinformatie en van een specifieke machtiging van betrokkene voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar. Uit artikel 5, tweede lid, en artikel 7, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit vloeit niet voort dat de door betrokkene bij de aanvraag verleende toestemming aan zijn behandelend psychiater om aan CIZ in verband met de gevraagde indicatie medische gegevens te verstrekken niet toereikend is. Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens van de KNMG. Schriftelijke toestemmingsformulieren moeten voldoende specifiek aangeven voor welke gegevensoverdracht de patiënt toestemming verleent en met welk doel. Geen sprake van een expliciete weigering van betrokkene om de specifieke machtiging te geven. De rechtbank heeft ten onrechte een proceskostenveroordeling uitgesproken, aangezien niet is gebleken dat betrokkene kosten voor in beroep verleende rechtsbijstand heeft moeten maken.

Wetsverwijzingen
Zorgindicatiebesluit
Zorgindicatiebesluit 5
Zorgindicatiebesluit 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1981
USZ 2013/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/605 AWBZ

Datum uitspraak: 4 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

5 januari 2011, 10/503 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

[Betrokkene] te[woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

CIZ heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [naam gemachtigde] een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [naam gemachtigde]. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren 24 juli 1974, is bekend met een psychiatrische aandoening. Namens betrokkene heeft [naam gemachtigde] op 24 april 2009 bij CIZ een indicatie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangevraagd voor de functie Begeleiding Individueel (BI) klasse 2 ter verlenging van de reeds bestaande indicatie voor begeleiding (de aanvraag). Bij besluit van 5 juni 2009 heeft CIZ besloten dat op grond van de aangeleverde gegevens niet kan worden vastgesteld dat betrokkene aanspraak maakt op de functie BI. In het kader van een gewenningsregeling wordt betrokkene een indicatie verleend voor de functie Ondersteunende begeleiding algemeen over de periode van 3 mei 2009 tot 3 november 2009.

1.2.

Bij besluit van 16 februari 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2009 ongegrond verklaard. Hieraan ligt, samengevat, het standpunt ten grondslag dat door het ontbreken van relevante behandelingsinformatie en van een specifieke machtiging van betrokkene voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar niet medisch kan worden geobjectiveerd of betrokkene nog steeds aanspraak maakt op zorg op grond van de AWBZ.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, CIZ opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat de tekst van artikel 7, tweede lid, van het Zorgindicatiebesluit (Zib) noch de toelichting daarop aanknopingspunten biedt voor het standpunt van CIZ dat de bij de aanvraag ingestuurde machtiging niet volstaat, maar dat CIZ een specifieke machtiging op naam nodig heeft om bij de behandelend psychiater informatie op te vragen.

3.

CIZ heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld volgt uit de artikelen 5, tweede lid, en 7, derde lid, van het Zib - gelezen in samenhang met de Nota van Toelichting op deze bepalingen - dat CIZ van betrokkene een machtiging nodig heeft die specifieker is dan de bij de aanvraag verleende toestemming aan de huisarts of een andere behandelaar om in verband met de gevraagde indicatie gegevens aan CIZ te verstrekken. Wanneer CIZ-artsen specifieke vragen hebben aan de behandelaars dan zijn zij volgens de geldende regels van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) verplicht om een specifieke machtiging van de zorgvrager over te leggen. Het vragen van een specifieke machtiging komt dan ook niet voort uit de regelgeving in het Zorgindicatiebesluit maar vindt zijn grondslag in het medisch tuchtrecht. Tot slot heeft de rechtbank CIZ ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, omdat [naam gemachtigde] werkzaam is voor de stichting WerkZsaam die als Anbistichting geen vergoeding voor haar werkzaamheden vraagt. Bovendien is niet gebleken dat juridische dienstverlening een substantieel onderdeel van de werkzaamheden van de stichting beslaat.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5, tweede lid, van het Zib gaat het indicatieorgaan bij of onmiddellijk na het indienen van de aanvraag na of de zorgvrager toestemming geeft tot het zonodig raadplegen van behandelende beroepsbeoefenaren en het gebruik maken van bij hen aanwezige medische gegevens en maakt het hier schriftelijk melding van. In de Nota van Toelichting op artikel 5 van het Zib wordt opgemerkt dat behandelend artsen en bij deze aanwezige gegevens uiteraard alleen mogen worden geraadpleegd voor zover dat voor de beoordeling van de zorgvraag relevant kan zijn. In dat verband zal een machtiging aan het indicatieorgaan om behandelend artsen en bij deze aanwezige gegevens te raadplegen, niet zo ruim mogen zijn dat willekeurig welke arts waarmee de zorgvrager ooit te maken heeft gehad door het indicatieorgaan geraadpleegd zou mogen worden. Geeft de zorgvrager zodanige toestemming niet, dan zal raadpleging van deze artsen en medische gegevens niet mogen plaatsvinden (Staatsblad 1997, 447, blz. 16 en 17).

4.2.

In de verklaring bij het verkort aanvraagformulier zorg heeft betrokkene de vraag of hij zijn huisarts of een andere behandelaar toestemming geeft om in verband met de gevraagde indicatie zonodig medische gegevens te verstrekken aan het CIZ (zoals diagnose, testresultaten) met ‘ja’ beantwoord. Deze verklaring heeft betrokkene ondertekend en gedateerd op 21 april 2009. De verklaring ziet op het verstrekken van gegevens door een behandelaar in verband met de gevraagde indicatie. Daarmee is geen sprake van de in de Nota van Toelichting op artikel 5 van het Zib genoemde situatie waarin “willekeurig welke arts waarmee de zorgvrager ooit te maken heeft gehad door het indicatieorgaan geraadpleegd zou mogen worden”. Bij de aanvraag is te kennen gegeven dat sprake is van een psychiatrische aandoening in verband waarmee wordt verzocht om een indicatie voor de functie BI. Tussen partijen is niet in geschil dat CIZ medische informatie wil opvragen bij uitsluitend behandelend psychiater Van der Wielen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat uit artikel 5, tweede lid, van het Zib niet voortvloeit dat de door betrokkene bij de aanvraag verleende toestemming aan zijn behandelend psychiater om aan CIZ in verband met de gevraagde indicatie medische gegevens te verstrekken niet toereikend is. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dit ook niet blijkt uit artikel 7, derde lid, van het Zib. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.3.

CIZ heeft er op gewezen dat de Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens van de KNMG (richtlijnen) een specifiekere machtiging vereisen dan door betrokkene bij de aanvraag is verleend. Deze beroepsgrond ziet op de uit de richtlijnen voortvloeiende eigen verplichtingen van de CIZ-arts. Verder heeft CIZ gesteld dat in de praktijk behandelaars een specifieke machtiging verlangen, alvorens zij bereid zijn medische informatie te verstrekken. De Raad stelt vast dat in de richtlijnen, zoals deze luiden per 1 januari 2010, een specifieke paragraaf 3.15 is opgenomen getiteld: “Gegevensuitwisseling in het kader van de indicatiestelling Wmo/Awbz”. Onder verwijzing naar artikel 7 van het Zib is daar aangegeven dat CIZ met toestemming van de aanvrager gegevens mag opvragen bij de behandelend arts. Dit gebeurt met inachtneming van de voorwaarden uit paragraaf 3.1. In deze paragraaf wordt vermeld dat de patiënt expliciete, gerichte toestemming dient te geven alvorens gegevens mogen worden verstrekt. Dit betekent dat de patiënt moet weten met welk doel de gegevens worden opgevraagd, wat de inhoud is van de informatie en wat mogelijke consequenties van de gegevensverstrekking zijn. Schriftelijke toestemmingsformulieren moeten voldoende specifiek aangeven voor welke gegevensoverdracht de patiënt toestemming verleent en met welk doel.

4.4.

De Raad ziet voorts vooralsnog niet in dat de door betrokkene bij de aanvraag verleende machtiging aan CIZ niet voldoet aan de richtlijnen. In de door betrokkene ondertekende verklaring wordt specifiek aangegeven dat deze ziet op het verstrekken van gegevens in verband met de gevraagde indicatie. Daarmee staat het doel van de gegevensoverdracht vast. Verder is voor betrokkene voldoende kenbaar wat de aard van de gegevensoverdracht is, omdat de aanvraag bij CIZ wordt gedaan in verband met zijn psychiatrische aandoening en betrokkene toestemming aan zijn behandelaar geeft om in verband met zijn aanvraag gegevens te verstrekken aan CIZ. Het is de Raad ook niet gebleken dat CIZ zich met de bij de aanvraag door betrokkene gegeven toestemming tot de behandelend psychiater Van der Wielen heeft gewend. Appellant heeft zich overigens zonder meer bereid verklaard dat indien zich de situatie zou voordoen dat zijn behandelaar vanuit medisch tuchtrechtelijk perspectief een specifiekere toestemmingsverklaring noodzakelijk acht, deze te geven. De Raad merkt op dat in de gegeven omstandigheden ook geen sprake was van een expliciete weigering van betrokkene om de specifieke machtiging te geven, maar veeleer sprake was van een communicatiestoornis omdat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat hij al verschillende malen toestemming had verleend. Het voorgaande doet overigens niet af aan het feit dat de bestaande praktijk van CIZ kennelijk goed werkt en over het algemeen ook geen problemen geeft.

4.5.

CIZ heeft aangevoerd dat de rechtbank CIZ ten onrechte in de kosten van betrokkene voor in beroep verleende rechtsbijstand heeft veroordeeld. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.6.

De gemachtigde van betrokkene heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat de stichting WerkZsaam bij juridische bijstand altijd een nota van € 250,-- stuurt. De stichting WerkZsaam is echter een Algemeen nut beogende instelling en heeft een sociaal fonds waarbij een betrokkene om kwijtschelding kan verzoeken. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat hij een nota heeft gekregen en of hij daarvoor vrijstelling heeft gevraagd of gekregen. Naar het oordeel van de Raad is dan ook niet gebleken dat betrokkene kosten voor in beroep verleende rechtsbijstand heeft moeten maken. Reeds om die reden slaagt deze beroepsgrond van CIZ, zodat de grond dat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het de veroordeling van CIZ in de proceskosten betreft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, voor zover deze ziet op de veroordeling van CIZ in de kosten van betrokkene voor in beroep verleende rechtsbijstand.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de veroordeling van CIZ in de

proceskosten van betrokkene;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.R. Baas

EH