Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
12-1376 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Het college heeft appellant terecht tegengeworpen dat hij geen verklaring heeft overgelegd omtrent de dag(en) en het tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en geen deugdelijke boekhouding inzake zijn werkzaamheden heeft overgelegd en dat hij, door ook nadien geen deugdelijke boekhouding te overleggen, niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1376 WWB, 12/1377 WWB

Datum uitspraak: 3 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

3 februari 2012, 11/100 en 11/414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Amsing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 april 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De uitkering vond plaats onder aftrek van de (wisselende) inkomsten die appellant genoot uit de verkoop van ijs en andere versnaperingen.

1.2.

Bij besluit van 4 februari 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, appellant de aanvullende verplichting opgelegd om een verklaring bij de gegevensverklaring/ mutatieformulier te overleggen omtrent de dag(en) en tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en een deugdelijke boekhouding bij te houden inzake zijn werkzaamheden. Tegen dit besluitonderdeel heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Op 15 juni 2010 heeft appellant op een mutatieformulier aangekruist dat zijn inkomsten zijn gewijzigd en dat hij € 50,- aan inkomsten per maand heeft genoten. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellant bij brief van 17 juni 2010 uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud op 21 juni 2010 en hem verzocht de in de bijlage aangekruiste bewijsstukken mee te nemen, waaronder een verklaring omtrent de dag(en) en het tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en een deugdelijke boekhouding inzake zijn verrichte werkzaamheden.

1.4.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft het college het recht op bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 21 juni 2010 opgeschort op de grond dat appellant tijdens het gesprek op die datum niet alle gevraagde bewijsstukken heeft overgelegd. Daarbij heeft het college appellant opnieuw uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud op 29 juni 2010 om de ontbrekende gegevens, waaronder een verklaring omtrent de dag(en) en het tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en een deugdelijke boekhouding inzake zijn verrichte werkzaamheden, in te leveren. Verder heeft het college appellant er op gewezen dat de bijstand wordt ingetrokken als hij de gegevens niet, niet volledig of niet tijdig inlevert. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

Bij besluit van 30 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2010 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 21 juni 2010 ingetrokken. Daaraan heeft het college

ten grondslag gelegd dat appellant ook tijdens het gesprek op 29 juni 2010 de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

1.6.

Bij besluit van 8 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 februari 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2010 ingetrokken en de over de maanden april en mei 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.299,04 netto van appellant teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat tijdens het gesprek op 29 juni 2010 is gebleken dat appellant in de maanden april, mei en juni 2010 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht, maar dat hij geen deugdelijke administratie/boekhouding heeft overgelegd. Hierdoor heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het college niet in staat is het recht op bijstand vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij, gelet op de voorgaande jaren, er op mocht vertrouwen dat hij met het opgeven van de gegevens op het daarvoor bestemde formulier heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende inlichtingenverplichting. Er was slechts sprake van marginale inkomsten die hij naar beste vermogen heeft bijgehouden. De eis om een deugdelijke boekhouding te laten opstellen door een boekhouder is, gelet op deze marginale inkomsten, disproportioneel. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij met zijn opgave op het formulier een duidelijk inzicht heeft verschaft in de verrichte activiteiten, gemaakte kosten, alsmede de ontvangen inkomsten. Appellant is daarom van mening dat het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen.

4.2.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op de weg van appellant had gelegen om, nadat het college hem bij besluit van 4 april (lees: februari) 2010 de verplichting had opgelegd om een deugdelijke boekhouding bij te houden inzake zijn werkzaamheden, dagelijks op te schrijven wat hij verkocht en welke inkomsten hij hieruit genereerde. De Raad voegt hieraan toe dat, gelet op deze aanvullende verplichting, appellant na 4 februari 2010 niet kon volstaan met enkel zijn inkomsten op te geven op het daarvoor bestemde formulier, ongeacht de wijze waarop voor

4 februari 2010 aan de inlichtingenverplichting werd voldaan.

4.3.

De stelling van appellant dat, gelet op zijn marginale inkomsten, de eis om een deugdelijke boekhouding te laten opstellen door een boekhouder disproportioneel is, treft geen doel, reeds omdat het college niet van appellant verlangt dat hij voor het bijhouden van een deugdelijke boekhouding een professionele boekhouder inschakelt. Het college verlangt slechts van appellant dat hij bijhoudt waar, wanneer en wat hij heeft verkocht en welke inkomsten hij hieruit heeft gegenereerd. Daargelaten of sprake is van marginale inkomsten, valt niet in te zien waarom dat niet van appellant kan worden gevergd.

4.4.

Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat hij met zijn opgave op het formulier een inzicht heeft verschaft in de door hem verrichte activiteiten en de door hem ontvangen inkomsten. Op het formulier van 15 juni 2010 heeft appellant immers alleen vermeld dat hij € 50,- aan inkomsten heeft genoten. Waar, wanneer en wat hij heeft verkocht, heeft appellant daarbij niet vermeld. Appellant heeft tijdens het gesprek op 29 juni 2010 ook verklaard daarvan geen overzicht te hebben bijgehouden. Anders dan appellant meent, kunnen de handgeschreven overzichten die hij op 21 juni 2010, 17 september 2010 en op 31 januari 2011 heeft verstrekt niet worden aangemerkt als een deugdelijke boekhouding. Op het op

21 juni 2010 ingeleverde briefje, dat ziet op de periode van 17 april tot en met 13 juni 2010, staan slechts een negental data met daarbij niet nader gespecificeerde bedragen en een zestal onkostenposten vermeld. De op 17 september 2010 ingeleverde stukken betreffen een overzicht van de dagen en uren waarop appellant in de periode van 13 mei tot en met 11 september 2010 heeft gewerkt met daarbij niet nader gespecificeerde bedragen en een overzicht van zijn uitgaven en inkopen in die periode. De wel meer gespecificeerde gegevens met betrekking tot de periode van 13 mei 2010 tot en met 28 augustus 2010, die zijn opgenomen in het op 31 januari 2011 ingeleverde overzicht, heeft appellant, zoals ook de rechtbank met juistheid heeft overwogen, eerst achteraf en geruime tijd nadat de werkzaamheden zijn verricht, genoteerd, waarbij appellant in zijn agenda heeft gekeken of het die dag mooi weer was en naar aanleiding daarvan een schatting heeft gemaakt van de verkochte hoeveelheden.

4.5.

Uit 4.2 tot met 4.4 volgt dat het college appellant terecht heeft tegengeworpen dat hij op 29 juni 2010 geen verklaring heeft overgelegd omtrent de dag(en) en het tijdstip(pen) waarop werkzaamheden zijn verricht en geen deugdelijke boekhouding inzake zijn werkzaamheden heeft overgelegd en dat hij, door ook nadien geen deugdelijke boekhouding te overleggen, niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan. Dit betekent dat aan de in artikel 54, vierde lid, artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WBB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD