Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
11-3630 AWBZ
Formele relaties
Gerectificeerde uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2013:2995
Rectificatiebesluit: ECLI:NL:CRVB:2014:356
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:356. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2013:2995. Onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak: 31 juli 2013

11/3630 AWBZ

Meervoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2011, 09/820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam executeur] te [woonplaats executeur] als executeur van de nalatenschap van [betrokkene] (appellant)

Centraal Administratiekantoor (CAK)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 december 2012 is CAK aan het bezwaar van appellant tegemoetgekomen.

Bij brief van 17 december 2012 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken met gelijktijdig verzoek CAK te veroordelen in de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Partijen hebben zich beiden nader uitgelaten over de proceskosten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. van Staalduine-Pronk.

OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

1.2. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking als onder 1.1 omschreven, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

1.3. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn beide bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2.1. Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met betrekking tot dat verzoek overweegt de Raad als volgt.

2.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.4. In dit geding heeft appellant tot het overlijden van [betrokkene] op 4 augustus 2009 als zijn gemachtigde opgetreden. Tot die datum was [betrokkene] degene die beschermd werd door artikel 6 EVRM, en niet appellant als zijn gemachtigde. Ten tijde van het overlijden van [betrokkene] op

4 augustus 2009 was geen sprake van het overschrijden van de redelijke termijn nu het bezwaarschrift door het CAK was ontvangen op 26 februari 2009.

2.5. Vanaf 4 augustus 2009 procedeert appellant in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [betrokkene]. De vraag of hij in die hoedanigheid in aanmerking komt voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoeft hier geen beantwoording nu deze termijn hier niet wordt overschreden. Tussen de aanvang van de termijn op 4 augustus 2009 en de einduitspraak in hoger beroep op 31 juli 2013 zijn geen vier jaar verstreken. Het verzoek van appellant wordt afgewezen.

3.

Voor een veroordeling in de proceskosten in beroep en in hoger beroep bestaat aanleiding nu CAK volledig aan het bezwaar van appellant is tegemoet gekomen. Na het overlijden van [betrokkene] op 4 augustus 2009 heeft appellant de procedure in beroep en hoger beroep voortgezet als executeur van de nalatenschap van [betrokkene]. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat in die hoedanigheid geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De tot 4 augustus 2009 gemaakte proceskosten worden bepaald op € 472,- in bezwaar en

€ 472,- in beroep, totaal € 944,- aan kosten van rechtsbijstand.

4.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot CAK wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    wijst het verzoek tot schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt het CAK in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.R. Schuurman

EH