Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
11-3733 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat met betrekking tot de hoger beroepen van betrokkene ten aanzien van 2007 en 2009 nog in geding is de vraag of in haar geval een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage wordt uitgegaan van het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen. De situatie waarin betrokkene verkeert vormt niet een dergelijk bijzonder geval om van de dwingendrechtelijke regeling af te wijken. Met betrekking tot het hoger beroep van CAK is in geding of CAK bij de vaststelling van de eigen bijdrage voor het zorgjaar 2009 de in de Verordening opgenomen hardheidsclausule dient te betrekken. De beroepsgrond van CAK over de hardheidsclausule slaagt en deze komt voor vernietiging in aanmerking. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat CAK de eigen bijdragen voor betrokkene voor de zorgjaren 2007 en 2009 op juiste wijze heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/261 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
JWWB 2013/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/3733 WMO, 11/3734 WMO, 11/3805 WMO

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

20 mei 2011, 09/2418 en 6 juni 2011, 09/5918

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

CAK heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 20 mei 2011.

Beide partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.T. Verheyen en mr. S.R. Fernhout.

Het onderzoek ter zitting is aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben bericht een gedeeltelijke schikking te hebben bereikt en over een aantal geschilpunten nog een uitspraak te willen.

Partijen hebben toestemming verleend om met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaken zonder nadere zitting af te doen. De Raad heeft daarop het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Voor het zorgjaar 2007 heeft CAK bij besluit van 8 september 2009 de maximale eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen die betrokkene op grond van de overgangsregeling Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontvangt, vastgesteld op

€ 202,35 per periode van vier weken. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. CAK heeft bij besluit van 3 december 2009 het bezwaar ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen het besluit van 3 december 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.2.

Voor het zorgjaar 2009 heeft CAK bij besluit van 3 april 2009 de maximale eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen die betrokkene op grond van de Wmo ontvangt vastgesteld op € 155,79 per periode van vier weken. Betrokkene heeft ook tegen dat besluit bezwaar gemaakt. CAK heeft bij besluit van 8 juli 2009 het bezwaar ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen het besluit van 8 juli 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 9 februari 2011 CAK in de gelegenheid gesteld om de besluiten van 3 december 2009 en van 8 juli 2009 te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat CAK het besluit van 3 december 2009 heeft gebaseerd op de Wmo, terwijl dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) had moeten zijn. Met betrekking tot het besluit van 8 juli 2009 heeft de rechtbank overwogen dat CAK de maximale eigen bijdrage over het zorgjaar 2009 in overeenstemming met de geldende regelgeving heeft vastgesteld, maar dat CAK bij die vaststelling had moeten beoordelen of sprake is van een bijzonder geval in de zin van de in artikel 36 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008 (Verordening) opgenomen hardheidsclausule.

1.4.

CAK heeft vervolgens bij besluit van 21 maart 2011 de eigen bijdrage voor het zorgjaar 2007 op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ en het Bijdragebesluit zorg vastgesteld op € 202,35 per periode van vier weken en het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Met betrekking tot het besluit van 8 juli 2009 heeft CAK geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot herstel.

2.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 juni 2011 het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 december 2009 gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 maart 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 mei 2011 het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 juli 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat CAK een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Partijen hebben de Raad bericht dat zij overeenkomstig de daarover ter zitting gemaakte afspraken met elkaar in contact zijn getreden en een betalingsregeling hebben getroffen. Verder heeft CAK een vaste klantadviseur benoemd voor betrokkene. Partijen hebben de Raad tevens verzocht om uitspraak te doen op de hoger beroepen. Desgevraagd hebben partijen zich schriftelijk uitgelaten over de nog bestaande geschilpunten.

3.2.

De Raad stelt vast dat met betrekking tot de hoger beroepen van betrokkene ten aanzien van 2007 en 2009 nog in geding is de vraag of in haar geval een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage wordt uitgegaan van het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen. Met betrekking tot het hoger beroep van CAK is in geding of CAK bij de vaststelling van de eigen bijdrage voor het zorgjaar 2009 de in de Verordening opgenomen hardheidsclausule dient te betrekken.

Verzamelinkomen

3.3.

CAK is bij de in geding zijnde vaststellingen uitgegaan van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens over het verzamelinkomen van betrokkene en haar echtgenoot. Vast staat dat het verzamelinkomen van de echtgenoot van betrokkene (mede) bestaat uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), die op grond van artikel 53 van de Wet WIA is verhoogd wegens blijvende hulpbehoevendheid (WIA-verhoging).

3.4.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de wetgever ten tijde van de invoering van de eigen bijdrage in de Wmo niet heeft voorzien dat de WIA-verhoging via het verzamelinkomen doorwerkt in de hoogte van de eigen bijdrage. Dit is volgens betrokkene onredelijk dan wel in haar geval is sprake van ontoelaatbare hardheid, omdat de

WIA-verhoging die haar echtgenoot ontvangt juist is bedoeld voor de zorgkosten die hij heeft door zijn blijvende hulpbehoevendheid.

3.5.

Zoals de rechtbank juist heeft vastgesteld en door partijen niet is bestreden, zijn de regelingen waarop de in geding zijnde vaststellingen zijn gebaseerd dwingendrechtelijk van aard. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de maximale eigen bijdragen is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke regelgeving. Tussen partijen is slechts in geschil of de omstandigheden van het geval zodanig zwaarwegend zijn dat deze nopen tot een afwijking van deze dwingendrechtelijke voorschriften.

3.6.

De situatie waarin betrokkene verkeert vormt niet een dergelijk bijzonder geval. Van een kennelijk onbedoeld effect op het inkomen door de invoering van een eigen bijdrage voor zorg op grond van de AWBZ en voorzieningen op grond van de Wmo is geen sprake. Met die eigen bijdrage is immers juist beoogd om bij bepaalde aanvragen om zorg en maatschappelijke ondersteuning een financiële prikkel te doen uitgaan. Dat dit voor betrokkene met zich brengt dat zij hogere zorgkosten heeft in de vorm van een (hogere) eigen bijdrage, terwijl haar echtgenoot een WIA-verhoging ontvangt wegens die zorgkosten, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van een dwingendrechtelijk voorschrift. Dat de echtgenoot van betrokkene anders dan voorheen haar zorgkosten ook niet meer kan aftrekken voor de belasting, leidt niet tot een ander oordeel.

3.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep van betrokkene over het verzamelinkomen niet slaagt.

Hardheidsclausule

3.8.1.

In artikel 7 van de op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wmo vastgestelde Verordening is bepaald dat de aanvrager van een individuele voorziening een eigen bijdrage is verschuldigd.

3.8.2.

Op grond van artikel 35 van de Verordening heeft het college in het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008 nadere regels gesteld over de verschuldigdheid en de omvang van de eigen bijdrage.

3.8.3.

In artikel 36 van de Verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de Verordening indien de toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

3.8.4.

Op grond van artikel 16 van de Wmo wordt een eigen bijdrage vastgesteld en geïnd door een door onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.

3.8.5.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning, wordt CAK als rechtspersoon bedoeld in artikel 16 van de Wmo aangewezen.

3.9.

Uit de regelgeving zoals hiervoor is weergegeven, volgt dat het college bepaalt of een aanvrager van maatschappelijke ondersteuning een eigen bijdrage is verschuldigd. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door CAK, waarbij het college gegevens aanlevert over de toekenning van de voorziening, de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de uitgangspunten die voor de berekening van de eigen bijdrage van belang zijn (zie in vergelijkbare zin CRvB 17 november 2010, LJN BO6880). Indien de juistheid van door een ander (bestuurs)orgaan vastgestelde gegevens aan de orde is, moet dat worden aangevochten in het kader van de besluitvorming bij dat (bestuurs)orgaan (CRvB 29 mei 2013, LJN CA1448). Anders dan de rechtbank in haar uitspraak van 20 mei 2011 heeft geoordeeld, vloeit uit deze strikte scheiding van bevoegdheden tussen het college en CAK voort dat als in het kader van de eigen bijdrage een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule, dit enkel aan de orde kan komen bij de besluitvorming over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college op grond van de Verordening bepaalt of een eigen bijdrage is verschuldigd en dat de in artikel 36 neergelegde bevoegdheid om in bijzondere gevallen van de Verordening af te wijken zich ook rechtstreeks tot het college richt. Een andere benadering zou een onaanvaardbare doorkruising van het wettelijk stelsel van bestuursrechtelijke bevoegdheden tot gevolg hebben. Hieruit volgt dat de beroepsgrond van CAK over de hardheidsclausule slaagt en dat deze voor vernietiging in aanmerking komt.

3.10.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad overgaan tot beoordeling van de beroepsgronden die betrokkene bij de rechtbank heeft aangevoerd tegen het besluit van 8 juli 2009, te weten dat de WIA-verhoging niet tot het verzamelinkomen mag worden gerekend en dat CAK de hardheidsclausule dient toe te passen.

3.11.

Gelet op wat is overwogen in 3.5, 3.6 en 3.9 slagen deze gronden niet en dient het beroep tegen het besluit van 8 juli 2009 ongegrond te worden verklaard.

3.12.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat CAK de eigen bijdragen voor betrokkene voor de zorgjaren 2007 en 2009 op juiste wijze heeft vastgesteld.

4.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak van 6 juni 2011;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak van 20 mei 2011;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juli 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P.J.M. Crombach

EH