Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
12-489 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellant geldende beperkingen te komen en er zijn geen aanknopingspunten dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Verder heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de belasting in de geselecteerde functies de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen van appellant niet overschrijdt. Met betrekking tot de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel is gebaseerd, worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/489 WIA

Datum uitspraak: 31 juli 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 december 2011, 11/4395 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013. Namens appellant is verschenen mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker voor ruim 36 uur per week. Op 26 november 2008 heeft hij zich ziek gemeld met longklachten. Verder heeft hij knieklachten, is hij allergisch voor pollen en een aantal voedingsmiddelen en is zijn gehoor links verminderd.

1.2. In reactie op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 24 november 2010 geen recht op een

WIA-uitkering is ontstaan omdat het verlies aan verdienvermogen van appellant met ingang van 24 november 2010 minder dan 35% bedroeg. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 april 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellant geldende beperkingen te komen en de rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting in de geselecteerde functies de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen van appellant niet overschrijdt.

3.

In hoger beroep heeft appellant de gronden herhaald die hij eerder in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Kort samengevat acht appellant het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig. De bezwaarverzekeringsarts had zelf een longfunctieonderzoek moeten laten verrichten en had zonder nader overleg met de huisarts of de behandelend longarts niet mogen overgaan tot afzwakking van de gegevens afkomstig uit het longfunctieonderzoek dat op verzoek van appellant is verricht. Verder meent appellant dat bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en beperkingen vanwege zijn longklachten en zijn knieklachten. Appellant meent dat voor hem een urenbeperking moet gelden en dat op diverse beoordelingspunten in de FML ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen. De bij de schatting gebruikte functies zijn niet geschikt voor hem.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft zijn in overweging 2 weergegeven standpunten uitvoerig en overtuigend gemotiveerd. De Raad kan zich in de overwegingen van de rechtbank vinden en voegt daaraan toe dat de verzekeringsarts informatie heeft ingewonnen bij de huisarts en op basis van die informatie in de FML onder meer beperkingen heeft opgenomen in verband met de longklachten. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van de uitslag van een op 21 januari 2011 uitgevoerd longfunctieonderzoek. Op basis van die uitslag en de overige in het dossier aanwezige medische gegevens met betrekking tot de longen heeft de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat hij geen indicatie ziet de vanwege de longklachten opgenomen beperkingen in de FML aan te scherpen. Appellant heeft geen nadere medische gegevens in geding gebracht die voor twijfel aan dit standpunt kunnen zorgen. Hetzelfde geldt voor de in de FML opgenomen beperkingen in verband met de knieklachten en het ontbreken van een urenbeperking.

4.3.

Met betrekking tot de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan eveneens het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel is gebaseerd, worden gevolgd.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) K.E. Haan

EH