Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
11-6981 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellante is een voorziening toegekend voor huishoudelijk hulp in de vorm van een pgb. Appellante heeft aangegeven dat het niet zinvol is om het verantwoordingsformulier in te dienen. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante niet heeft betwist dat zij het pgb niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft verantwoord en dat het college daarom bevoegd was het pgb in te trekken. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. Het college heeft terecht besloten dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/6981 WMO

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 oktober 2011, 11/3732 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorziening toegekend voor huishoudelijke hulp, klasse 2, voor de periode van 1 juli 2008 tot 30 juni 2013, in de vorm van een

- voorlopig - persoongebonden budget (pgb). Het college heeft appellante aangewezen als budgethouder. In het besluit zijn voorts de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden omschreven.

1.2.

Bij brief van 17 juni 2010 heeft de Dienst Zorg en Samenleven (DZS) van de gemeente Amsterdam appellante verzocht het eerder toegestuurde verantwoordingsformulier over de besteding van het pgb in 2009 in te vullen en op te sturen, zodat de DZS in staat is een eindbeschikking op te stellen. Appellante heeft bij brief van 15 september 2010 de DZS bericht het niet zinvol te achten het verantwoordingsformulier in te vullen, omdat haar gezondheid de afgelopen jaren in ernstige mate achteruit is gegaan.

1.3.

Het college heeft daarop bij besluit van 27 september 2010 onder intrekking van het in 1.1 genoemde besluit van 15 mei 2008 (lees: voor zover de voorziening daarin is toegekend in de vorm van een pgb), appellante niet meer in aanmerking gebracht voor een pgb voor hulp bij het huishouden en de wijze waarop hij de toegekende voorziening aan appellante verstrekt met ingang van 1 januari 2011 omgezet in zorg in natura. Voorts heeft het college het aan appellante toegekende pgb over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 ingetrokken en het over deze periode verleende pgb ten bedrage van € 2.714,-- van haar teruggevorderd.

1.4.

Appellante heeft tegen het besluit van 27 september 2010 bezwaar gemaakt. Gedurende de bezwarenprocedure heeft de DZS appellante in de gelegenheid gesteld alsnog de verantwoording in te dienen. Bij brief van 21 april 2011 heeft appellante de DZS opnieuw laten weten het niet zinvol te vinden het verantwoordingsformulier in te vullen. Het college heeft daarop bij besluit van 24 juni 2011 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante als budgethouder verplicht is om aan het eind van het relevante kalenderjaar, in dit geval 2009, verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb. Appellante heeft aan die verplichting - ook in de bezwarenprocedure - niet voldaan, zodat het college niet kan vaststellen of appellante het pgb kan verantwoorden. Het college zag in hetgeen appellante had aangevoerd geen bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding vormen om de in artikel 35 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verordening) opgenomen hardheidsclausule toe te passen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op juiste gronden gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot omzetting van het pgb in zorg in natura. Zij heeft in het verleden vervelende ervaringen gehad met het voortdurend wisselen van zorgverleners en heeft daardoor het vertrouwen in adequate zorg verloren. Appellante heeft herhaald dat zij een tweede generatie oorlogsslachtoffer is waardoor haar vertrouwen in de mensheid is beschadigd. Daarom is het pgb voor haar het enige middel om in de juiste zorg te voorzien. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het voor risico van appellante komt dat zij personen heeft ingeschakeld die vanwege hun verblijfstatus geen medewerking wilden verlenen bij het afleggen van verantwoording. Volgens appellante valt haar in deze niets te verwijten en heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante niet heeft betwist dat zij het pgb niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft verantwoord en dat het college daarom, met toepassing van artikel 14 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verordening), bevoegd was het pgb over de in 1.3 genoemde periode in te trekken. Appellante heeft, ook in hoger beroep, niet aannemelijk gemaakt dat het college bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad voegt daar nog aan toe dat de omstandigheid dat appellante een tweede generatie oorlogsslachtoffer is, hoe betreurenswaardig dat ook is, haar niet ontslaat van de verplichting verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb.

4.2.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college op grond van artikel 15, tweede lid, van de Verordening bevoegd was om tot terugvordering van het bedrag van

€ 2714, -- over te gaan. Over de omzetting van het pgb in zorg in natura met toepassing van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder g, van de Nadere regels voor de algemene vervoersvoorzieningen en de individuele voorzieningen uit de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels), heeft het college ter zitting toegelicht dat hij een persoon met beperkingen, zoals appellante, niet blijvend zal tegenwerpen dat deze een eerder verstrekt pgb niet of niet op de juiste wijze heeft verantwoord. Bij een nieuwe aanvraag bekijkt het college opnieuw of, indien gewenst, de voorziening kan worden verleend in de vorm van een pgb. Gelet op het - ook in bezwaar volgehouden - standpunt van appellante dat ze het nut van verantwoording niet inziet en daarom de formulieren niet wil invullen, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het college onder deze omstandigheden terecht met ingang van 1 januari 2011 met toepassing van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder g, van de Nadere regels de voorziening in natura aan appellante heeft verstrekt.

4.3.

Toepassing van de Verordening leidt in dit geval niet tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 35 van de Verordening. Appellante is al bij het besluit van

15 mei 2008 erop gewezen dat zij als budgethouder een arbeids- of zorgovereenkomst diende af te sluiten met de zorgverlener en dat in die overeenkomst alle gegevens van de zorgverlener moeten staan. Verder is appellante destijds gewezen op de verplichting dat de zorgverlener declaraties bij haar indient met daarop vermeld zijn of haar naam, adres en burgerservicenummer, alsmede het aantal betaalde uren, de tijden waarop is gewerkt en het uurtarief. Appellante heeft desondanks ervoor gekozen het pgb te besteden aan het inhuren van personen die in verband met hun illegale verblijfsstatus niet willen of kunnen meewerken bij het afleggen van verantwoording. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit voor rekening en risico van appellante komt. Het college heeft daarom terecht besloten dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) S. Aaliouli

QH