Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2013
Datum publicatie
05-08-2013
Zaaknummer
12-1756 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling van een aanvraag om een woonvoorziening moet de passendheid van de hele woning van de aanvrager in aanmerking worden genomen. Het onderzoek van het college is voldoende gericht geweest op de vraag welke woonvoorziening in het geval van appellante kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Het college is met het woningaanbod voldoende tegemoet gekomen aan de wooneisen van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

24 februari 2012, 11/947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Niederer. Namens het college is J. Schins verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft het college verzocht om haar in aanmerking te brengen voor woningaanpassingen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), namelijk een aanpassing van haar douche en het aanbrengen van een tweede toilet.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 23 april 2009 het verzoek van appellante afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.3.

De GGD Zuid Limburg (GGD) heeft daarop een medisch onderzoek verricht. Op grond van onderzoek en van informatie van de behandelend orthopedisch chirurg is de medisch adviseur van de GGD onder meer tot de conclusie gekomen dat met de degeneratieve verschijnselen in beide knieën van appellante geen sprake is van een tijdelijk probleem maar van geleidelijk toenemende beperkingen. Traplopen zal steeds moeilijker worden en uiteindelijk wellicht niet meer mogelijk zijn. Op 1 december 2009 heeft bij appellante een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dat bezoek heeft de rapporteur van het college de woonsituatie (met name de douche en trap) bekeken en met appellante de bevindingen van de GGD besproken. Appellante heeft tijdens dat gesprek te kennen gegeven liever te willen verhuizen.

1.4.

Het college heeft vervolgens bij besluit van 28 december 2009 het eerdere besluit van

23 april 2009 ingetrokken en een verhuiskostenvergoeding van € 2.270,-- aan appellante toegekend. Dat laatste onder de voorwaarde dat appellante verhuist naar een voor haar adequate woning.

1.5.

Appellante heeft op 4 februari 2010 aan het college te kennen gegeven haar bezwaar niet in te trekken, omdat zij inmiddels had gemerkt dat de woningbouwstichting geen woningen aanbiedt die geschikt zijn om haar inwonende kind te huisvesten en haar twee andere kinderen te laten logeren, zodat een verhuiskostenvergoeding geen optie blijkt te zijn.

1.6.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 26 april 2011 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen beroep ingesteld.


1.7. Het college heeft in een brief van 4 oktober 2011 aan appellante bericht dat aan haar een woning in Stein wordt aangeboden. Deze woning is gelijkvloers en bereikbaar met een traplift en beschikt over twee slaapkamers. Appellante heeft deze woning geweigerd.

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een verhuizing naar een geschikte woning de goedkoopst adequate voorziening is. Appellante is namelijk ernstig beperkt in haar mobiliteit zodat een woningaanpassing niet adequaat is zonder een voorziening voor gelijkvloers wonen (een traplift of verhuizing naar een gelijkvloerse woning).

3.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat van haar niet kan worden gevergd dat zij moet verhuizen, omdat de woningbouwstichting alleen bereid is een seniorenwoning aan te bieden. Zij heeft dan geen ruimte meer om in de weekenden en de vakanties haar jongste kind te ontvangen en om haar andere kinderen te laten logeren. Het is ook niet juist dat het college niet zelf zorg draagt voor adequate vervangende woonruimte. Op de zitting heeft appellante zich in die zin stelliger uitgelaten dat ze in haar huidige woning wil blijven. Verder heeft appellante gesteld dat zij slechts twee woningaanpassingen wil, namelijk de aanpassing van de douche en het aanbrengen van een tweede toilet en dat het zo is dat de kosten voor die woningaanpassingen lager zijn dan de verhuiskostenvergoeding. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat op haar de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) van toepassing is verklaard en dat een gevolg daarvan is dat een verhuiskostenvergoeding in de boedel valt voor zover deze niet betrekking heeft op de meest noodzakelijke kosten voor een verhuizing. Op de zitting heeft mr. Niederer verklaard dat appellante inmiddels uit de WSNP is.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.



4.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.3.

Artikel 15 van de Verordening voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2010 (Verordening) onderscheidt de volgende woonvoorzieningen:

a. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

c. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;

(…)

4.4.

In artikel 16 van de Verordening is het primaat van verhuizing neergelegd:

1. Een ondersteuningsbehoevende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder a in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning belemmeren.

2. Een ondersteuningsbehoevende kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder b, c (…) in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopste adequate voorziening is. (…)

4.5.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN: BG6612), in overweging 4.2.2, heeft geoordeeld verplicht artikel 4 van de Wmo het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie om hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het college om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het college daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het college om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het college, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk moet zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

4.6.

Een verhuisprimaat, als neergelegd in artikel 16 van de Verordening, komt als zodanig niet in strijd komt met de artikelen 4 en 5 van de Wmo. Dit laat onverlet dat de vraag of de toepassing van dit primaat in een concreet geval een voorziening is die voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo bedoelde compensatieplicht, alleen kan worden beantwoord op grond van een onderzoek naar de vraag hoe de gevraagde woonvoorziening, dan wel in het voorliggende geval verhuizing naar een passende woning, zich verhoudt tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn woonbehoeften, een en ander tegen de achtergrond van de vraag welke woonvoorziening in het concrete individuele geval leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid van de belanghebbende en zijn of haar deelname aan het maatschappelijke verkeer. Het college zal daarbij verder rekening moeten houden met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.



4.7. De beroepsgrond van appellante dat zij slechts twee woningaanpassingen wil, namelijk de aanpassing van de douche en het aanbrengen van een tweede toilet, en dus niet een traplift, treft geen doel. Bij de beoordeling van een aanvraag om een woonvoorziening moet de passendheid van de hele woning van de aanvrager in aanmerking worden genomen. Uit de voorhanden medische gegevens blijkt genoegzaam dat appellante langdurig beperkingen zal blijven ondervinden bij het traplopen en dat zij, als zij blijft wonen in haar huidige woning, aangewezen is op een traplift om de bovenverdieping te kunnen bereiken. De Raad wijst op de bevindingen van de GGD, maar ook op de recente informatie van appellantes behandelend reumatoloog van 20 februari 2013. De reumatoloog beschrijft dat appellante veel problemen ondervindt als gevolg van haar klachten en afwijkingen, met name bij het traplopen.

4.8.

Het onderzoek van het college is voldoende gericht geweest op de vraag welke woonvoorziening in het geval van appellante kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Het college heeft onderzocht met welke voorzieningen de huidige woning van appellante aangepast zou kunnen worden aan, dan wel geschikt gemaakt zou kunnen worden voor, de beperkingen van appellante. Appellante heeft op grond van de beoordeling van haar beperkingen ingestemd met een verhuizing. Nadat haar gebleken was dat uitsluitend woningen werden aangeboden waarbij geen rekening werd gehouden met het feit dat haar zoon in de weekenden en de vakanties bij haar verbleef en de overige kinderen bij haar logeerden, is zij daarop terug gekomen. Het college is met het woningaanbod op 4 oktober 2011 echter vervolgens voldoende tegemoet gekomen aan de wooneisen van appellante.

4.9.

De beroepsgrond van appellante dat een verhuiskostenvergoeding in de boedel valt treft geen doel. Nog los van de vraag of op een vergoeding als de onderhavige wel of niet een beslagverbod geldt, kunnen daadwerkelijk gemaakte noodzakelijke kosten buiten de boedel blijven.

5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, slagen de beroepsgronden van appellante niet. Dat houdt in dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) S. Aaliouli

EH