Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
11-6853 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat betrokkene en vriend in de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Dit is niet vast komen te staan. De vraag of sprake was van wederzijdse zorg behoeft geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/6853 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 oktober 2011, 11/2233 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. R. Gardeslen, advocaat, een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen mr. J.P. Homan. Betrokkene is verschenen, vergezeld van haar persoonlijk begeleidster [naam begeleidster], en bijgestaan door mr. Gardeslen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), sinds 17 augustus 2006 naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met haar vriend [naam vriend] heeft de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Zaanstad (afdeling) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de afdeling onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht bij de woning van betrokkene, betrokkene en [naam vriend] afzonderlijk verhoord en een huisbezoek afgelegd aan het adres van betrokkene te [plaatsnaam 1]. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 december 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van

8 december 2010 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 november 2010 te beëindigen (lees: in te trekken). Appellant heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2010 bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat betrokkene en [naam vriend] een gezamenlijke huishouding voeren en dat betrokkene heeft verzuimd om daarvan melding te maken bij appellant.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 8 december 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, samengevat, dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene en [naam vriend] in de periode in geding hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat appellant betrokkene ten onrechte heeft verweten dat zij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat uit de onderzoeksbevindingen volgt dat betrokkene en [naam vriend] gezamenlijk hoofdverblijf hadden op hun beider adressen, dat ook van wederzijdse zorg is gebleken en dat betrokkene appellant niet volledig heeft ingelicht over haar woonsituatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Aangezien appellant de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, 1 november 2010, tot en met de datum van het intrekkingsbesluit, 8 december 2010.

4.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat betrokkene en [naam vriend] in de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Vaststaat dat betrokkene en [naam vriend] in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op afzonderlijke adressen stonden geregistreerd, betrokkene in [plaatsnaam 1] en [naam vriend] in [plaatsnaam 2]. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, indien aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat de betrokkenen slechts een van beide ter beschikking staande woningen gebruiken of op een andere wijze zodanig gebruik maken van de woningen dat zij in feite samenwonen.

4.6.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.7.

Anders dan appellant heeft aangenomen, is niet komen vast te staan dat betrokkene ieder weekend in de woning van [naam vriend] verbleef. Naar zij ter zitting heeft verklaard en door appellant niet is weersproken, had zij in de woning van [naam vriend] ook geen persoonlijke bezittingen.

4.8.

Met betrekking tot de vraag of [naam vriend] op het adres van betrokkene mede zijn hoofdverblijf had, is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat [naam vriend] daar gemiddeld meer dan de helft van de nachten verbleef. Voorts had [naam vriend] slechts enkele persoonlijke bezittingen zoals kledingstukken in de woning van betrokkene. Bij het huisbezoek in de woning van betrokkene zijn verder geen persoonlijke bezittingen, post of administratie van [naam vriend] aangetroffen. De omstandigheid dat [naam vriend] in de hier te beoordelen periode vaak aanwezig was in de woning van betrokkene en haar hielp met allerlei taken, zoals het doen van boodschappen en bezoek aan de school van haar kinderen biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij op haar adres zijn hoofdverblijf had. In dit verband is verder van belang dat [naam vriend] in [plaatsnaam 2] zijn kinderen verzorgde, zodat hij daar een eigen huishouding in stand diende te houden.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene en [naam vriend] hun hoofdverblijf hadden in de woning van betrokkene dan wel dat zij hun woningen gebruikten op zodanige wijze dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.10.

De vraag of sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en [naam vriend] behoeft daarom geen bespreking meer. Ook de beroepsgrond met betrekking tot de schending van de inlichtingenverplichting kan buiten bespreking blijven.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD