Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
10-5881 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad komt tot het oordeel dat appellant op de peildata van het derde kwartaal van 2007 tot en met het eerste kwartaal van 2008 ten onrechte niet als ingezetene is aangemerkt. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar. Afwijzing verzoek om vergoeding van de wettelijke rente.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 2
Algemene Kinderbijslagwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

10/5881 AKW

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 maart 2010, 08/4278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kramer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.E. Eind.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Svb heeft desgevraagd informatie uit de gemeentelijke basisadministratie overgelegd en vragen van de Raad beantwoord.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft voor zijn in 1993 en 1996 geboren kinderen, die samen met zijn echtgenote in Marokko wonen, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen.

1.2. Bij besluit van 10 januari 2008 heeft de Svb appellant met ingang van het derde kwartaal van 2007 kinderbijslag geweigerd, op de grond dat hij niet meer woonde of werkte in Nederland. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

26 september 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb overwogen dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2007 tot en met het eerste kwartaal van 2008 niet woont of werkt in Nederland en dat hij het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in de loop der jaren heeft verplaatst naar Marokko.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of appellant op de peildata in geding in Nederland woonde, in het bijzonder van belang is in welke mate er op dat moment sprake was van een juridische, economische en sociale binding van appellant met Nederland. Toetsend aan deze criteria heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant op de peildata, in Marokko en niet in Nederland woonde, zodat hij toen niet verzekerd was ingevolge AKW.

3.1.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij onveranderd als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt, subsidiair dat sprake is van een dubbele woonplaats en meer subsidiair dat een afbouwregeling had moeten worden toegepast.

3.2.

De Svb heeft hangende het geding in hoger beroep medegedeeld dat naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011

(LJN BP6285) is besloten het beleid ten aanzien van ingezetenschap te wijzigen. Heroverweging van de van belang zijnde feiten heeft in het voorliggende geval niet tot een ander oordeel geleid.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 6 van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3 van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. De Hoge Raad heeft in de in 3.2 genoemde arresten van

21 januari 2011 en 4 maart 2011 vooropgesteld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. De Hoge Raad heeft overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.2.

Naar aanleiding van deze arresten heeft de Svb zijn beleid ten aanzien van ingezetenschap gewijzigd. Dit beleid komt er - kort en op hoofdlijnen samengevat - op neer dat de Svb wonen in Nederland aanneemt als sprake is van een persoonlijke band van duurzame aard tussen betrokkene en Nederland. Of sprake is van een dergelijk band wordt beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval.

4.3.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 oktober 2006

(LJN AZ2599) is het de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.4.

In dit geding is aan de orde of appellant op de peildata van het derde kwartaal van 2007 tot en met het eerste kwartaal van 2008 als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd. Met betrekking tot de in aanmerking komende feiten en omstandigheden wordt als volgt overwogen.

4.5.

Appellant, geboren in 1940, is in 1970 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Op

19 juni 1974 is hij te Marokko gehuwd. Appellant is sinds 12 februari 1986 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie te [plaatsnaam] op het adres [adres]. Appellant betaalt met behulp van een periodieke overboeking de huur van deze woning. Hij genoot een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en geniet sinds 2005 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Ten tijde in geding stonden op het adres [adres], naast appellant, vier personen ingeschreven. Appellants zoon [naam zoon 1], geboren [in] 1987, en zijn zoon [naam zoon 2], geboren [in] 1978. Verder stonden op dit adres ingeschreven [M.A.] el [A.], geboren [in] 1969, en [L.C.], geboren in 1943. Deze personen zijn op dat adres ingeschreven respectievelijk in 2000 ([naam zoon 1]), in 1997 ([naam zoon 2]) en in 2011 (El [A.]). Alleen [C.] staat mogelijk al vanaf de jaren ’80 ingeschreven. Ter zitting kon namens appellant niet worden aangegeven wie de laatstgenoemde twee personen zijn. Wel is verklaard dat deze personen daar weliswaar zijn ingeschreven doch niet op dat adres wonen. Het adres [adres] betreft een woning met twee slaapkamers en een woonkamer. Appellant heeft verklaard dat zijn zoons ieder in een slaapkamer slapen. Als appellant in Nederland is, slaapt hij in de woonkamer. Ten tijde in geding heeft appellant de Marokkaanse nationaliteit. Aan hem is op 21 november 2007 een vergunning tot verblijf “regulier onbepaalde tijd” verstrekt. Nadien heeft hij de Nederlandse nationaliteit verkregen. Appellant verblijft in ieder geval sinds 2005 delen van het jaar in Marokko bij zijn echtgenote en zijn daar wonende kinderen, [naam kind 3], geboren [in] 1993 en [naam kind 4], geboren [in] 1996. In 2007 heeft hij de Svb meegedeeld 38 weken per jaar bij zijn gezin in Marokko te verblijven. Niet in geschil is dat appellant in Marokko was in de volgende perioden:

van 6 januari 2005 tot 6 juni 2005

van 5 augustus 2005 tot 5 oktober 2005

van 7 november 2005 tot 5 april 2006

van 5 december 2006 tot 21 augustus 2007

van 3 september 2007 tot medio november 2007

van 27 november 2007 tot 18 mei 2008.

Appellant is eigenaar van het huis in Marokko waar hij met zijn echtgenote en kinderen woont.

4.6.

De Raad stelt vast dat appellant gedurende vele jaren onbetwist ingezetene van Nederland is geweest. Weliswaar heeft appellant sedert begin 2005 in toenemende mate in Marokko verbleven, maar dat brengt niet zonder meer met zich mee dat zijn ingezetenschap van Nederland verloren is gegaan. Daarbij speelt een rol dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft en dus steeds naar Nederland kan terugkeren, dat twee meerderjarige zonen van appellant in Nederland wonen, dat hij nimmer de intentie heeft geuit zich blijvend buiten Nederland te willen vestigen en dat appellant een duurzaam tot zijn beschikking staande woning in Nederland heeft. Aan dit laatste doet niet af dat appellant niet over een eigen slaapkamer in die woning beschikt, nu deze situatie zich ook al geruime tijd voor 2005 voordeed, in welke periode appellant onbetwist als ingezetene moest worden aangemerkt.

De conclusie moet dan ook zijn dat appellant op de in geding zijnde peildata (ook) woonplaats in Nederland had. Dat appellant ten tijde in geding gedurende lange perioden bij zijn gezin in Marokko verbleef in een tot zijn eigendom behorende woning, kan niet afdoen aan de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland die op dat moment (nog) bestond.

4.7.

Het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat appellant op de peildata van het derde kwartaal van 2007 tot en met het eerste kwartaal van 2008 ten onrechte niet als ingezetene is aangemerkt. De rechtbank heeft het bestreden besluit derhalve ten onrechte in stand gelaten. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip woonplaats. Derhalve zal de Raad bepalen dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.

4.8.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Namens appellant is aangegeven dat het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op de duur van de bestuurlijke en de rechterlijke fase. Deze procedure is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 15 februari 2008 en heeft geduurd tot deze uitspraak van de Raad. De procedure heeft vijf jaar en ruim 5 maanden geduurd, waarmee de behandelingsduur van vier jaar is overschreden. De bezwaarprocedure heeft meer dan zes maanden geduurd, terwijl de behandeling door de Raad langer is geweest dan twee jaar. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.

4.9.

De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Svb en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

5.1.

Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente kan nu niet worden toegewezen, omdat nadere besluitvorming door de Svb noodzakelijk is. De Svb zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.

5.2.

De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, tezamen € 1988,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 september 2008;

  • -

    bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op het bezwaar neemt;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente af;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1888,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) D. Heeremans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

EH